Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3157

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30414
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23 (oud), geldigheid: 1995-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap X NV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 juni 1994 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A BV voor het jaar 1990 opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Leeuwarden.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan A BV zijn voor het jaar 1990 wegens het genot krachtens zakelijk recht van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als a-straat 1, b-straat 1, 2 en 3 te Leeuwarden, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Leeuwarden opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling belastingen (hierna: het Hoofd) zijn gehandhaafd. Op het tegen de uitspraak van het Hoofd ingestelde beroep heeft het Hof die uitspraak vernietigd en - ervan uitgaande dat X NV (hierna: X) niet namens A BV maar voor zichzelf bezwaar heeft gemaakt en in beroep is gekomen ambtshalve X alsnog niet-ontvankelijk in het bezwaar verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie X heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Hoofd heeft een vertoogschrift in gediend.

3. Beoordeling van de klacht 3.1. De onderwerpelijke aanslagen zijn opgelegd aan A BV (hierna: A) als genothebbende krachtens zakelijk recht van de in de heffing van de onroerende zaakbelasting betrokken objecten. Daartoe gemachtigd door X heeft C tegen deze aanslagen een bezwaarschrift ingediend. Het Hoofd heeft bij uitspraak het bezwaar ontvankelijk doch ongegrond verklaard. C heeft ter uitvoering van voormelde volmacht tegen deze uitspraak een beroepschrift ingediend bij het Hof. 3.2. Blijkens de uitspraak van het Hof heeft de gemachtigde desgevraagd medegedeeld dat A een 100% dochter van X is. 3.3. 's Hofs ambtshalve gegeven beslissing dat X alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het tegen de aan A opgelegde aanslagen gemaakte bezwaar, bouwt voort op 's Hofs ambtshalve bijgebrachte oordeel dat niet is komen vast te staan dat X het bezwaarschrift heeft doen indienen als vertegenwoordigster van A. 3.4. Voor een ambtshalve oordeel omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid in de bezwaarfase is geen plaats indien partijen daarover door het hof niet zijn gehoord. Nu in het beroepschrift in cassatie erover wordt geklaagd dat zodanig hoor en wederhoor niet heeft plaats gevonden en in 's Hofs uitspraak niet is vermeld dat zulks wel is geschied, is die uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die X in verband met de behandeling van het geding in cassatie voor de onderhavige zaak redelijkerwijs heeft moeten maken te beslissen als hierna zal worden bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest gelast dat door de Gemeente Leeuwarden aan X wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van haar beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,-- en veroordeelt de Gemeente Leeuwarden in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van X vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is op 20 december 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.