Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3142

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30898
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 273 (oud), geldigheid: 1995-11-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 1996-7026, 7
Belastingblad 1996/52
BNB 1996/42
FED 1995/892
FED 1996/37
WFR 1995/1883, 1
V-N 1995/4446, 28

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Inspecteur der Gemeentebelastingen te Leiden tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 1994 betreffende na te melden aan X te Z voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Leiden.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1992 wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en het feitelijk gebruik van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als a-straat 1, a-straat 2, a-straat 3 en a-straat 4, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Leiden opgelegd naar een heffingsgrondslag van respectievelijk ƒ 48.000,--, ƒ 64.000,--, ƒ 48.000,-- en ƒ 64.000,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur der Gemeentebelastingen zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd, en - voor zover in cassatie van belang - de aanslagen betreffende a-straat 1 en 2 verminderd tot aanslagen naar een heffingsgrondslag van onderscheidenlijk ƒ 34.500,-- en ƒ 46.000,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Inspecteur der Gemeentebelastingen heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Verordening In de gemeente gold in het onderhavige jaar de Verordening onroerend-goedbelastingen 1992, waarvan de bepalingen - voor zover hier van belang - luiden:

"Art. 1. enzovoorts. Art. 4. 1. De waarde in het economische verkeer is die op 1 januari 1990 en vervolgens die op een tijdstip dat telkens 5 jaren later valt. Deze waarde vindt toepassing voor elk belastingjaar vallende in een tijdvak van 5 achtereenvolgende jaren. Dit tijdvak vangt aan op het tijdstip dat één jaar later valt dan het tijdstip bedoeld in de eerste volzin. 2. Indien de waarde in het economische verkeer tussen het tijdstip bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid en het begin van het belastingjaar wijziging ondergaat als gevolg van hetzij bouw, verbetering, verbouwing of afbraak, hetzij verandering van bestemming, is in afwijking van de eerste volzin van het eerste lid, de waarde die, welke in aanmerking zou zijn genomen indien die bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of bestemmingsverandering zijn beslag had gekregen op het eerst bedoelde tijdstip."

4. Beoordeling van het middel 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken a-straat 1 en 2 bedraagt op de waardepeildatum 1 januari 1990 in totaal ƒ 80.500,--. Belanghebbende heeft in de periode april tot juli 1990 aan bovengenoemde onroerende zaken werkzaamheden laten verrichten voor een bedrag van ƒ 50.000,--. De werkzaamheden bestonden uit het vervangen van de dakgoot, het repareren van het voegwerk van de gemetselde gevels, het vervangen van een houten vloer door een van beton, een anti-vochtbehandeling van de muren, schilderwerk, het repareren van de schoorsteen, het vervangen van de rioolaansluiting, het vernieuwen van ramen, deuren, dakvensters, dorpels en tegelwerk.

4.2. Het Hof heeft geoordeeld, dat de Inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting van de zijde van belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van de in 4.1 genoemde onroerende zaken wijziging heeft ondergaan als gevolg van verbetering in de zin van de Verordening. Dit oordeel, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de aan die genoemde onroerende zaken verrichte werkzaamheden, in tegenstelling tot hetgeen de Inspecteur betoogde, niet hebben geleid tot verbetering in de zin van artikel 4, lid 2, van de Verordening, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip verbetering in voormelde zin en kan voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Aan dit oordeel heeft het Hof met juistheid de gevolgtrekking verbonden dat een door de werkzaamheden ontstane waardevermeerdering niet eerder dan op de eerstvolgende nieuwe waardepeildatum in aanmerking kan worden genomen. Beide onderdelen van het middel falen derhalve.

5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 29 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Inspecteur der Gemeentebelastingen wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,-- onder verrekening van het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.