Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3139

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30853
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 29, geldigheid: 1995-12-13
Wet op de omzetbelasting 1968 22, geldigheid: 1995-12-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/126
FED 1996/61
FED 1996/26
WFR 1995/1970

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 oktober 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 29 februari 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 132.822,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. In het kader van de uitoefening van haar bedrijf als douane-expediteur doet belanghebbende aangiften ten invoer ten behoeve van haar cliënten en betaalt zij de wegens invoer verschuldigde omzetbelasting; de door haar doorberekende omzetbelasting brengen de cliënten als voorbelasting in aftrek in hun aangiften omzetbelasting. In het tijdvak van naheffing zijn enige cliënten in gebreke gebleven hun factuur aan belanghebbende te voldoen, in welke gevallen belanghebbende bij haar op de voet van artikel 14 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna de Wet) gedane aangiften om teruggaaf van die voorgeschoten omzetbelasting heeft verzocht. Voorts is met betrekking tot iedere oninbare vordering in een afzonderlijke brief het verzoek herhaald, veelal onder de verwijzing naar rubriek "artikel 29" van het giftebiljet. De gevraagde teruggaven zijn verleend onder voorbehoud van correctie bij nader onderzoek.

3.1.2. De verzoeken zijn behandeld door de administratieve afdeling van de destijds bevoegde eenheid Belastingdienst/Grote Ondernemingen Q op de voor verzoeken om teruggaaf op grond van artikel 29 van de Wet gebruikelijke wijze. Naar aanleiding van een der eerste bij die eenheid ingediende teruggaafverzoeken is bij een voorgedrukte en met pen aangevulde brief, gedateerd 30 augustus (lees: september) 1991, ondertekend door "de inspecteur (mevr. D)", aan belanghebbende verzocht om bewijsstukken omtrent de oninbaarheid van enige met name genoemde vorderingen. Naar aanleiding van deze brief heeft op 9 oktober 1991 een medewerker van belanghebbende met genoemde ambtenaar een onderhoud gehad, waarin hij de dossiers van de betrokken cliënten heeft getoond, uit welke dossiers de ambtenaar kopieën heeft gemaakt. Aan het einde van dat gesprek heeft de ambtenaar medegedeeld dat de teruggaaf zou worden verleend mits een in de brief bedoelde verklaring, dat de teruggevraagde omzetbelasting door belanghebbende op geen enkele wijze was ontvangen dan wel verrekend als voorbelasting, zou worden overgelegd. Na het overleggen van zodanige verklaring is de desbetreffende teruggaaf ad ƒ 24.519,-- verleend. In november 1992 zijn de teruggaven nader onderzocht door de eenheid Belastingdienst/Grote Ondernemingen Y. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en daarbij het totaalbedrag (ƒ 106.566,--) van de vorenbedoelde in het naheffingstijdvak verleende teruggaven nageheven.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat ter zake van de onderwerpelijke verzoeken om teruggaaf, die zijn gebaseerd op de omstandigheid dat cliënten ten behoeve van wie belanghebbende bij invoer omzetbelasting had betaald, in gebreke zijn gebleven de door belanghebbende gefactureerde bedragen (inclusief de voorgeschoten belasting) te voldoen, noch enige wettelijke bepaling noch enige richtlijnbepaling rechtens grond bood voor een aanspraak op teruggaaf, en dat het desondanks verlenen van de aan de orde zijnde teruggaven naar 's Hofs oordeel zelfs zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet erop mocht rekenen dat een eventuele latere controle niet zou kunnen uitmonden in een naheffing wegens de ten onrechte verleende teruggaven.

3.3. Middel 1, dat zich tegen de onder 3.2 vermelde oordelen keert, faalt, aangezien die oordelen juist zijn. Middel 2, dat zich keert tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende niet mocht aannemen dat de aangelegenheid door de belastingadministratie - behoudens het aspect van het al dan niet oninbaar zijn van de litigieuze vorderingen - daadwerkelijk op haar fiscale merites is beoordeeld, kan evenmin tot cassatie leiden, aangezien de door middel 1 bestreden oordelen 's Hofs beslissing zelfstandig dragen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 13 december 1995 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter en de raadsheren De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.