Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3137

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30982
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/13
FED 1995/822
WFR 1995/1724
V-N 1995/3975, 16

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 januari 1995 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.398,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.428,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel. 3.1. De Hoge Raad leidt uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding af dat belanghebbende niet een huurwoning maar een eigen woning bewoont en dat 's Hofs vaststelling dat de kerkgemeente voor welke zij als predikante werkzaam is niet beschikt over een pastorie aldus moeten worden opgevat dat de kerkgemeente niet over eigen vergaderruimte beschikt. In cassatie kan voorts ervan worden uitgegaan dat belanghebbende haar woning voor diverse in 's Hofs uitspraak nader aangeduide kerkelijke activiteiten ter beschikking heeft gesteld en voorts voor haar werkzaamheden een studeer/werkkamer nodig heeft. 3.2. Voor het overige valt uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet met zekerheid op te maken welke kamers/ruimten belanghebbende voor beroepsdoeleinden bezigt, welke werkzaamheden, en in welke mate, in welke kamer/ruimte worden verricht en evenmin op welke wijze de onderscheidene kamers/ruimten zijn ingericht. 3.3. Het in 3.2 overwogene brengt mee dat de Hoge Raad niet in de gelegenheid is te toetsen of het Hof bij zijn oordeel dat "de werkruimte" niet is een kantoorruimte in de zin van artikel 36, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. 's Hofs uitspraak is mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Zij kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek in volle omvang, waarbij ook de consequenties van het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1993, nr. 28587, BNB 1994/36 aan de orde kunnen komen. Het middel behoeft geen behandeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad vindt in het verloop van de procedure aanleiding om de beslissing omtrent de kosten van belanghebbende van het geding in cassatie te reserveren tot de einduitspraak. Daarbij verdient opmerking dat na te melden vernietiging zich tevens uitstrekt tot de beslissing van het Hof omtrent de proceskosten en dat derhalve de vraag of belanghebbende voor deze kosten een vergoeding dient te worden toegekend, door het verwijzingshof zal moeten worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,-- en verstaat dat omtrent de kosten van belanghebbende van het geding in cassatie zal worden beslist bij einduitspraak en stelt deze kosten vast op ƒ 1.420,--.

Dit arrest is op 1 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.