Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3133

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-1995
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
263
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:AA3133
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 6, geldigheid: 1995-11-08
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26, geldigheid: 1995-11-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1996, 78
FED 1995/849
FED 1996/218
WFR 1995/1796
V-N 1995/4359, 38

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: X) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 december 1992 betreffende de beslissing van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amsterdam (hierna: het Bestuur) de aanvraag tot toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) over het tijdvak 1 juli 1987 tot en met 31 december 1987 af te wijzen.

1. Beslissing van het bestuur en geding voor de Raad van Beroep Bij beslissing gedagtekend 12 februari 1988 heeft het bestuur de aanvraag van X tot toekenning van kinderbijslag ingevolge de AKW voor zijn - tot zijn huishouden behorende - kinderen W, geboren 5 december 1971, en V, geboren 14 februari 1973, over het derde en vierde kwartaal van 1987 afgewezen. Tegen die beslissing heeft X beroep ingesteld bij de Raad van Beroep te Rotterdam.

De Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 13 december 1989 het beroep tegen die beslissing gegrond verklaard.

2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep Het Bestuur heeft tegen de uitspraak van de Raad van Beroep hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak vernietigd en het inleidende beroep van X alsnog ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie X heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het Bestuur heeft het cassatieberoep bij vertoogschrift bestreden. X heeft de zaak doen toelichten door mr. J.M. Barendrecht, advocaat te 's-Gravenhage. Het Bestuur heeft de zaak doen toelichten door mr. F.N. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 6 maart 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Beoordeling van het middel van cassatie 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

4.1.1. X was als ingezetene, beoordeeld naar uitsluitend de regels van Nederlands nationaal recht, ingevolge het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de AKW gedurende de onderhavige kwartalen verzekerd overeenkomstig de bepalingen van die wet.

4.1.2. X - die in 1987 de Joegoslavische nationaliteit bezat - is sedert 1970 hier te lande werkzaam in loondienst van het (destijds) Joegoslavische staatsbedrijf Monting te Zagreb.

4.1.3. In casu is van toepassing het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, Trb. 1977, 156 (hierna: het Verdrag).

4.1.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 juni 1986, RSV 1987, 26, geoordeeld dat het betoog dat de bepalingen vervat in de artikelen 7 en 8 van het Verdrag exclusieve werking hebben in deze zin dat zij aangeven welke der beide wetgevingen bij uitsluiting van de andere toepasselijk is, niet als juist kan worden aanvaard.

4.1.5. Artikel 10 van het Verdrag luidt: "De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeen

stemming, ten behoeve van de belanghebbende werknemers, uitzonderingen op de artikelen 7 tot en met 9 vaststellen.". 4.1.6. Op 11 maart 1987 is ter uitvoering van artikel 10 van het Verdrag tussen de bevoegde autoriteiten een akkoord tot stand gekomen (Trb. 1987, 182; hierna: het Akkoord), waarin - voor zover te dezen van belang - het volgende is bepaald:

"Yugoslav workers employed in Yugoslav detached units in the Netherlands: "Monting" from Zagreb in Rotterdam, (...) shall be exempted from the application of the provisions of Article 7 of the Convention, and up to December 31, 1987 exclusively the Yugoslav regulations on social insurance shall be applied to these wor- kers.".

4.1.7. Het Bestuur heeft zijn hiervóór onder 1 bedoelde beslissing gegrond op het oordeel dat gezien het Akkoord uitsluitend de Joegoslavische sociale wetgeving op X van toepassing is en dat hij derhalve niet aan te merken is als verzekerde in de zin van de AKW.

4.2. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het Akkoord onbevoegd tot stand is gekomen. Hij heeft daartoe - voor zover in cassatie van belang - overwogen: dat artikel 10 van het Verdrag de bevoegdheid schept om bij wege van uitzondering op de werking van andere bepalingen uit die titel, waaronder de in artikel 10 genoemde artikelen 7 en 8, de exclusieve toepasselijkheid van één betrokken nationale wetgeving vast te stellen; dat hij niet als een beletsel ziet dat artikel 10 vereist dat het gaat om uitzonderingen die strekken ten behoeve van de belanghebbende werknemer; dat hij een regeling als die van het Akkoord, waarin de toepassing van twee wetgevingen tegelijk ongedaan wordt gemaakt en één wetgeving wordt aangewezen, een keuze ten behoeve van de betrokken werknemers acht; dat dit oordeel niet anders wordt, indien de Franse tekst van het betrokken artikel tot uitgangspunt wordt genomen. Tegen deze oordelen komen de onderdelen 1 en 2 van het middel tevergeefs op, aangezien zij juist zijn.

4.3. Onderdeel 3 van het middel wordt voorgesteld voor zover de Centrale Raad heeft geoordeeld dat het Akkoord ook toepassing kan vinden, indien daarvoor de basis in artikel 10 van het Verdrag ontbreekt. Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu immers de Centrale Raad in zijn uitspraak uitdrukkelijk onbesproken heeft gelaten de vraag of, indien het Akkoord onbevoegd tot stand zou zijn gekomen, aan het Akkoord toch gelding zou moeten worden toegekend.

4.4. Onderdeel 4 van het middel moet, aangezien het voortbouwt op onderdeel 3, het lot van dat onderdeel delen.

4.5. Onderdeel 6 van het middel komt op tegen het oordeel van de Centrale Raad, volgens hetwelk de omstandigheid dat de bekendmaking van het Akkoord pas is geschied op 16 november 1987, niet aan toepassing van het Akkoord in het onderhavige geval in de weg staat, nu het Akkoord blijkens zijn tekst terugwerkt tot 1 januari 1987, terwijl de Centrale Raad geen geschreven of ongeschreven regel bekend is, die zou meebrengen dat aan een verdragsbepaling waarin een dergelijke terugwerkende kracht is geregeld, verbindende kracht zou moeten worden ontzegd. Het onderdeel faalt op de in de conclusie van het Openbaar Ministerie in 8.4, 8.5 en 8.6 aangegeven gronden.

4.6. De Centrale Raad heeft voorts geoordeeld dat het Bestuur bij de bestreden beslissing met juistheid van de gelding van het Akkoord is uitgegaan en dat ook overigens niet is gebleken dat de beslissing voor onjuist moet worden gehouden. Hierin ligt besloten het oordeel dat X, als gedetacheerd werknemer als bedoeld in het Akkoord jo. artikel 8, letter a, van het Verdrag, niet verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van de AKW.

4.6.1. Voor zover onderdeel 5 van het middel laatstvermeld oordeel bestrijdt met een beroep op het bepaalde in artikel 6, lid 1, van het ILO-verdrag betreffende migrerende arbeiders (Trb. 1951, 34) en artikel 18, lid 1 van de European Convention on the Legal Status of Migrant Workers (Trb. 1980, 70 en Trb. 1983, 45), faalt het op de in de conclusie van het Openbaar Ministerie in resp. 7.3 en 7.5 vermelde gronden.

4.6.2. Onderdeel 5 bestrijdt voor het overige laatstvermeld oordeel met een beroep op artikel 26 IVBP. Het strekt ten betoge dat toepassing van het Akkoord in een geval als het onderhavige een met genoemde verdragsbepaling strijdige behandeling van Joegoslavische werknemers als X inhoudt. De strekking van verdragen inzake sociale zekerheid brengt niet mee dat een verdragsland gehouden is aan iedere onderdaan van het andere verdragsland, die op het grondgebied van het eerste verdragsland als werknemer werkzaam is, en is aangesloten bij het stelsel van sociale zekerheid van het andere verdragsland, dezelfde prestaties op het gebied van de sociale zekerheid toe te kennen als aan de eigen onderdanen worden toegekend. Ook het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot een gehoudenheid als vorenbedoeld, aangezien een zodanige werknemer niet in dezelfde omstandigheden verkeert als de eigen onderdanen, die immers geen rechten kunnen ontlenen aan het stelsel van het andere verdragsland. Het onderdeel faalt derhalve ook in zoverre.

5. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt- Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 8 november 1995.Nr. 263 Mr Van den Berge

Derde Kamer A Conclusie inzake:

AKW 1987 X

Parket, 6 maart 1995 tegen:

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

Edelhoogachtbaar College,

1.Feiten en procesverloop.

1.1.Het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 december 1992, nr. KBW 1990/7 .

1.2.Verzoeker tot cassatie (hierna: verzoeker) is sedert 1970 door het Joegoslavische bedrijf Monting in Nederland gedetacheerd.

Hij was in 1987 Nederlands ingezetene maar bezat de Joegoslavische nationaliteit.

1.3.Bij beschikking van 12 februari 1988 heeft de Raad van Arbeid te Rotterdam (rechtsvoorganger van de Sociale Verzekeringsbank) geweigerd aan verzoeker kinderbijslag toe te kennen over het derde en vierde kwartaal van 1987, onder overweging dat op hem uitsluitend de Joegoslavische sociale verzekeringswetgeving van toepassing was en hij derhalve, hoewel Nederlands ingezetene, niet was aan te merken als verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.

1.4.De (voormalige) Raad van Beroep te Rotterdam heeft het tegen de beslissing van de Raad van Arbeid ingestelde beroep gegrond verklaard.

1.5.Op beroep van het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank heeft de CRvB deze uitspraak vernietigd en het inleidend beroep van verzoeker alsnog ongegrond verklaard.

1.6.De uitspraak van de CRvB is op 26 januari 1993 in afschrift aan partijen verzonden. Het tegen de uitspraak gerichte verzoekschrift tot cassatie is op 26 maart 1993 ter griffie van Uw Raad ontvangen. Het is door de griffier doorgezonden naar de CRvB, waar het op 30 maart 1993 is ingekomen. Het beroep in cassatie geldt, gelet op art. 21, lid 1, Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, als tijdig ingesteld. Het steunt op één middel van cassatie, dat uit zes onderdelen bestaat.

1.7.Namens verweerster in cassatie is het middel bij vertoogschrift bestreden.

1.8.De zaak is voor verzoeker schriftelijk toegelicht door mr. J.M. Barendrecht en voor verweerster door mr. F.N. Meijer, beiden advocaat te 's-Gravenhage.

1.9.Onder de nrs. 260, 261 en 262 zijn soortgelijke zaken bij uw Raad aanhangig.

2.Voorgeschiedenis.

2.1.Titel II van het verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Joegoslavië van 11 mei 1977, Trb. 1977, 156 (hierna: het Verdrag), draagt als opschrift: bepalingen ter vaststelling van de toe te passen wetgeving.

2.2.HR 25 juni 1986, RSV 1987, 26, na conclusie van de advocaat-generaal Van Soest , wees van de hand het standpunt dat de tot die afdeling behorende artikelen 7 en 8 exclusieve werking zouden hebben in die zin, dat zij zouden aangeven of de Nederlandse danwel de Joegoslavische wetgeving inzake de sociale zekerheid bij uitsluiting van de andere toepasselijk is. Overwogen werd onder meer dat een dergelijke exclusieve werking niet uit de bewoordingen van het Verdrag volgt en dat veeleer uit art. 6, lid 1, en art. 34, lid 4, kan worden afgeleid dat de Verdragsluitende partijen het in beginsel voor mogelijk hebben gehouden dat een werknemer ingevolge de beide wetgevingen verzekerd is en dat zij de gevolgen daarvan hebben willen regelen door het tegengaan van dubbele uitkeringen.

2.3.Het eveneens tot titel II van het Verdrag behorende art. 10 luidt:

"De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming, ten behoeve van de belanghebbende werknemers, uitzonderingen op [art.] 7 (...) vaststellen."

2.4.Het voormelde arrest heeft tot gevolg gehad dat de bevoegde autoriteiten bij wijze van tijdelijke maatregel onder verwijzing naar dit art. 10 op 11 maart 1987 een akkoord hebben gesloten (hierna: het Akkoord), inhoudend:

"Yugoslav workers employed in Yugoslav detached units in the Netherlands: "Monting" from Zagreb in Rotterdam, (...) shall be exempted from the application of the provisions of Article 7 of the Convention, and up to December 31, 1987 exclusively the Yugoslav regulations on social insurance shall be applied to these workers. (...)

This agreement comes into force on May 1, 1987 with retroactive respect from January 1, 1987."

Het Akkoord is gepubliceerd in het Tractatenblad van 16 november 1987, nr. 182. Vervolgens is onderhandeld over een wijziging van het Verdrag. Dat heeft geleid tot een principeakkoord, maar een wijzigingsverdrag is, voor zover mij bekend, niet gesloten.

3.De in art. 10 gegeven bevoegdheid, algemeen.

3.1.De CRvB heeft vooropgesteld (uitspraak, blz. 6 ):

"dat artikel 10, tezamen met de artikelen 7, 8 en 9, deel uitmaakt van titel II van het verdrag, die als opschrift draagt "Bepalingen ter vaststelling van de toe te passen wetgeving". Bepalingen van deze aard, die in verdragen gebruikelijk zijn, dienen er onder meer toe enerzijds tenminste één toepasselijke wetgeving aan te wijzen en anderzijds de toepassing van twee wetgevingen tegelijk uit te sluiten. (...)".

3.2.Na te hebben geconstateerd dat het arrest van 25 juni 1986 er toe had geleid dat de in het Akkoord genoemde werknemers tegelijkertijd bij twee stelsels van sociale zekerheid waren aangesloten, heeft de CRvB vervolgens overwogen

"dat (...) artikel 10, gelet op de titel waar (het) deel van uitmaakt, de bevoegdheid schept om bij wege van uitzondering op de werking van (...) de (...) artikelen 7 en 8, de exclusieve toepasselijkheid van één betrokken nationale wetgeving vast te stellen."

3.3.In onderdeel 1 van het middel wordt deze opvatting bestreden.

3.4.Hetgeen de CRvB in zijn onder 3.1. geciteerde overweging voorop heeft gesteld staat in zoverre op gespannen voet met het arrest HR 25 juni 1986, dat daarin nu juist is beslist dat de artikelen 7 en 8 van het Verdrag een dergelijke uitsluitende werking misten. Daarmee is echter nog niet gezegd dat art. 10 van het Verdrag niet de mogelijkheid zou bieden een van art. 7 en 8 afwijkende regeling te treffen die wel exclusieve werking heeft. Weliswaar bieden, zoals in HR 25 juni 1986 is overwogen, art. 6, lid 1 en 34, lid 4 van het Verdrag steun aan de veronderstelling dat de Verdragsluitende partijen de gevolgen van dubbele verzekering hebben willen regelen door het tegengaan van dubbele uitkeringen, maar deze bepalingen bieden toch onvoldoende steun voor de veronderstelling dat de Verdragsluitende partijen van mening waren dat die gevolgen uitsluitend op die wijze dienden te worden geregeld. Derhalve faalt dit onderdeel van het middel.

4.En faveur de/ten behoeve van.

4.1.Art. 10 luidt in de officiële, Franse tekst:

"Les autorités compétentes des Parties Contractantes peuvent prévoir, d'un commun accord, des exceptions aux dispositions des articles 7 à 9 en faveur des travailleurs intéressés."

4.2.Volgens de Raad van Beroep (uitspraak blz. 5, 7e al.) bleek uit de bewoordingen 'en faveur des', dat de te treffen regeling ten gunste van de betrokken werknemers moet strekken.

4.3.De Raad van Beroep kwam na een onderzoek tot de conclusie (uitspraak, blz. 6 slot, blz. 7 eerste al.) dat het Akkoord voor de betrokkenen slechts nadeel opleverde. De Raad trok hieruit de conclusie dat de bevoegde autoriteiten ingevolge art. 10 van het Verdrag niet de bevoegdheid (hadden) deze regeling te treffen en liet het Akkoord daarom buiten toepassing.

4.4.De CRvB was echter van mening (blz. 7)

"dat bij de uitleg van de woorden "ten behoeve van" niet voorop dienen te staan factoren als het voorzieningenniveau van één bepaalde wetgeving in vergelijking met dat van een andere, maar dat daarbij voorop moet staan het beoogde resultaat, bezien vanuit de doelstelling van de betrokken verdragstitel. Een regeling als die van het akkoord, waarin de toepassing van twee wetgevingen tegelijk ongedaan wordt gemaakt en één wetgeving wordt aangewezen, acht de Raad binnen die doelstelling een keuze ten behoeve van de betrokken werknemers. Dit oordeel wordt niet anders indien de Franse tekst van het betrokken artikel tot uitgangspunt wordt genomen."

4.5.In onderdeel 2 van het middel wordt aangevoerd dat art. 10 slechts de mogelijkheid geeft om voor werknemers een beter voorzieningenniveau te bereiken. Volgens de toelichting op het middel zou het artikel wellicht ook de mogelijkheid kunnen geven om (nieuwe) aanspraken toe te kennen, maar zou het in geen geval de mogelijkheid bieden aan werknemers bestaande aanspraken te ontnemen.

4.6.De tekst van de bepaling dwingt echter niet tot deze uitleg. De tekst laat ook de uitleg toe dat de bevoegde autoriteiten voor ogen wordt gehouden dat de te treffen regelingen de belangen van de werknemers moeten dienen en - bij voorbeeld - niet uitsluitend de belangen van uitvoerende instanties.

4.7.De Nouveau Petit Robert (1993, blz. 900) geeft als eerste betekenis van `en faveur de': en consideration de , en geeft daarnaast als betekenissen: au profit, au bénéfice, dans l'intérêt de. De Nederlandse vertaling: 'ten behoeve van' lijkt mij daarom niet onjuist.

4.8.Uit 4.6. volgt dat ook dit onderdeel faalt.

5.Art. 35, lid 2, van het Verdrag.

5.1.Art. 35, lid 2, van het Verdrag, opgenomen in titel IV (Diverse bepalingen), luidt:

"De bevoegde autoriteiten regelen, in voorkomende gevallen, in onderling overleg de situatie van bijzondere categorieën werknemers."

5.2.Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de CRvB van 10 november 1992 (blad 3, achterzijde) is door de gemachtigde van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, mr R.A. Zieck, naar aanleiding van een vraag opgemerkt:

"Art. 35, lid 2 van het Verdrag is niet aan de orde geweest, omdat dit artikel een bepaling van algemene strekking is, die in een ander kader past, terwijl art. 10 slechts zeer beperkt de mogelijkheid biedt iets aanvullends te doen (...)."

5.3.Het komt mij voor dat de in art. 35, lid 2 gegeven bevoegdheid zo ruim is geformuleerd dat deze bepaling - naast art. 10 - als basis kan dienen voor het gesloten Akkoord. Derhalve kunnen de onderdelen 1 en 2 van het middel, ook als deze op zich gegrond zouden zijn, niet tot cassatie leiden.

6.Het Akkoord als apart verdrag, onderdeel 3 en 4 van het middel.

6.1.Uit blz. 7 (slot) van de uitspraak blijkt dat de CRvB onder ogen heeft gezien of het Akkoord wellicht als een aparte overeenkomst zou kunnen worden beschouwd die, als zijnde van later datum, het Verdrag wellicht opzij zou kunnen zetten. Deze mogelijkheid heeft de Raad niet besproken, omdat art. 10 volgens de Raad al de bevoegdheid gaf tot het afsluiten van het Akkoord.

6.2.Onderdeel 3 van het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat de CRvB zou hebben geoordeeld dat het Akkoord, opgevat als aparte overeenkomst, voorrang zou hebben boven het Verdrag.

6.3.In het vertoogschrift wordt terecht opgemerkt dat de CRvB een dergelijke beslissing niet heeft gegeven, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist.

6.4.In onderdeel 4 van het middel wordt, voortbouwend op het derde onderdeel, betoogd dat het Akkoord niet kan worden beschouwd als een verdrag als bedoeld in art. 93 en 94 Grondwet.

6.5.Ook als zou worden aangenomen dat art. 10 niet de bevoegdheid gaf tot het sluiten van het Akkoord, faalt dit onderdeel, omdat wordt miskend dat art. 35, lid 2, van het Verdrag de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid gaf om voor bijzondere categorie werknemers een aparte regeling te treffen.

7.Strijd met andere verdragen

7.1.In onderdeel 5 van het middel wordt de CRvB verweten, voorbij te zijn gegaan aan het beroep van verzoeker op een drietal bepalingen in andere verdragen. Als eerste wordt genoemd art. 6, lid 1, van het ILO-Verdrag betreffende migrerende arbeiders (Trb. 51, 34).

7.2.Dit artikel houdt o.a. in:

"1. Elk lid, waarvoor dit Verdrag van kracht is, verbindt zich zonder onderscheid ten aanzien van nationaliteit, ras, godsdienst of geslacht, emigranten die wettig op zijn territoir verblijven, te behandelen op een wijze, die niet minder gunstig is dan die, welke het aan zijn eigen onderdanen verleent met betrekking tot (...):

a. (...)

b. sociale zekerheid (te weten wettelijke bepalingen ten aanzien van (...) moederschap, (...) gezinslasten, en enige andere omstandigheden, welke krachtens de nationale wettelijke maatregelen door een sociaal zekerheidsstelsel gedekt wordt), (...)".

7.3.Het artikel heeft gelet op zijn tekst (`Elk lid (...) verbindt zich') geen rechtstreekse werking. Zo daarover anders zou moeten worden geoordeeld, gaat het Akkoord in geval van conflict op grond van art. 30, lid 4, onder a, j? art. 30, lid 3, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht voor.

7.4.Als tweede wordt genoemd art. 18, lid 1, van de European Convention on the legal status of migrant workers .

7.5.Deze conventie is echter, gelet op art. 1, lid 2, onder f, in dit geval niet van toepassing.

7.6.Als laatste wordt genoemd art. 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Het Akkoord zou een verboden discriminatie naar nationaliteit inhouden tussen de in het Akkoord genoemde Joegoslavische werknemers en andere in Nederland werkzame werknemers.

7.7.De CRvB heeft kennelijk de positie van de in het Akkoord genoemde werknemers zodanig verschillend geacht van die van andere werknemers, dat zulks een eigen regeling rechtvaardigde. Dat oordeel is, voor zover het de waardering van de feitelijke omstandigheden betreft, voorbehouden aan de CRvB en geeft voor het overige niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

7.8.Uit een en ander volgt dat dit onderdeel van het middel faalt.

8.Terugwerkende kracht.

8.1.Het Akkoord, dat op 11 maart 1987 is gesloten en op 16 november 1987 in het Trb. werd gepubliceerd, trad blijkens zijn tekst in werking op 1 mei 1987, met terugwerkende kracht tot 1 januari 1987.

8.2. De CRvB heeft overwogen dat hem

"geen geschreven of ongeschreven regel bekend is die mee zou brengen dat aan een verdragsbepaling waarin een dergelijke terugwerkende kracht is geregeld verbindende kracht zou moeten worden ontzegd."

8.3.Een en ander wordt in onderdeel 6 van het middel bestreden met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel.

8.4. Art. 93 Grondwet bepaalt:

"Bepalingen van verdragen (...), die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt."

Ingevolge art. 5 van de (oude) Bekendmakingswet gold een verdrag als bekendgemaakt op de dertigste dag na die van de uitgifte van het Tractatenblad waarin het is geplaatst.

Het akkoord werd dus van kracht op 16 december 1987. Tot de op die dag van kracht geworden bepalingen behoorde ook de bepaling die de daarin opgenomen ingangsdatum van 1 mei 1987 terug deed werken tot 1 januari van dat jaar.

8.5.Een dergelijke terugwerkende kracht is niet verboden: art. 28 van het Weense verdrag schrijft slechts voor dat de bedoeling daartoe hetzij uit het verdrag zelf, hetzij op andere wijze moet blijken.

8.6.Een en ander laat ook zien dat, wat de terugwerkende kracht als zodanig betreft, niet van belang is of bij het sluiten van het Akkoord al dan niet is voorzien dat de publikatie van het Akkoord in het Nederlandse Tractatenblad wellicht pas na enige tijd zou geschieden.

8.7.Uit een en ander volgt dat ook dit onderdeel van het middel faalt.

9.Conclusie.

Bevindend dat het middel niet tot cassatie kan leiden, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,