Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3132

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29138
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 1996, 20638
BNB 1996/38
FED 1995/869
WFR 1995/1840
V-N 1995/4224, 13

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 augustus 1992 betreffende de aan X te Z opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting over het jaar 1984.

1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1984 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ a,--. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ b,--, zonder verhoging. Belanghebbende is van de navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat deze aanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 23 december 1994 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, een topsporter, is als lid aangesloten bij een sportbond (hierna: de bond), welke organisatie op haar beurt als lid is aangesloten bij een internationale sportfederatie (hierna: de Federatie). Tussen de Federatie en de nationale organisaties zoals de bond is een regeling getroffen om het mogelijk te maken dat sporters zonder het gevaar te lopen hun amateurstatus te verliezen, materiële en financiële steun kunnen ontvangen in het belang van hun sportbeoefening. Ingevolge die regeling wordt ingeval van wedstrijden een uitnodiging gedaan aan de nationale organisaties, die alsdan beslissen wie van haar leden daaraan zullen deelnemen, waarna een eventueel prijzengeld rechtstreeks wordt overgemaakt aan de nationale organisaties, die dat geld doen beheren en administreren door een daartoe opgerichte stichting. De stichting belegt het geld ten behoeve van de sporters en administreert de saldi voor iedere sporter afzonderlijk. Het door de stichting behaalde netto rendement op de beleggingen wordt jaarlijks bij het saldo gevoegd. De sporter kan over de voor hem beheerde gelden alleen beschikken ter bestrijding van bepaalde, in het reglement van de stichting opgesomde, onkosten. Indien toch gelden "uit" de stichting worden betaald aan de sporter of indien op zijn verzoek kosten worden bestreden anders dan in het reglement is toegestaan, verliest de sporter het recht deel te nemen aan wedstrijden op welk niveau dan ook. Betaling van het voor de sporter beheerde saldo is eerst toegestaan indien hij stopt met de wedstrijdsport of bij zijn overlijden. In het onderwerpelijke jaar is ter zake van het deelnemen door belanghebbende aan wedstrijden en wegens bijgeschreven rente een bedrag van ƒ c,-- bijgeboekt op de ten name van belanghebbende geadministreerde rekening. Op dit bedrag heeft de navorderingsaanslag betrekking. 3.2 Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat belanghebbende over het deelnemen aan wedstrijden niet met de organiserende instanties maar slechts met de bond overeenkomsten sloot en dat onder die omstandigheden het tijdstip waarop inkomsten te dier zake door hem zijn genoten in de zin van artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet worden beoordeeld aan de hand van die - door het reglement van de stichting beheerste - overeenkomsten. Het heeft vervolgens geoordeeld dat hetgeen ingevolge die overeenkomsten in het onderhavige jaar ten gunste van belanghebbende op zijn rekening bij de stichting is bijgeschreven niet door belanghebbende is genoten. Tegen dit laatstvermelde oordeel richt zich het middel met het betoog dat het bijgeboekte bedrag van ƒ c,--, aangezien dit door de stichting ten behoeve van belanghebbende rentedragend is belegd, als "rentedragend geworden" in de zin van artikel 33 moet gelden als door belanghebbende genoten. 3.3. De vastgestelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende niet de mogelijkheid had ter zake van het deelnemen aan wedstrijden inkomsten te verwerven anders dan onder de hem door de bond opgelegde voorwaarden, ingevolge welke voorwaarden hij over hem in verband met dat deelnemen toekomende bedragen - vermeerderd met de beleggingsopbrengst ervan - pas op een onzeker tijdstip in de toekomst kan beschikken. Aangezien onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat belanghebbende met betrekking tot de hem in verband met het deelnemen aan wedstrijden toekomende bedragen enige beschikkingshandeling heeft verricht - zoals bij voorbeeld het geval zou zijn indien hij met de organiserende instantie zou zijn overeengekomen dat het hem toekomende voorshands niet opeisbaar maar wel rentedragend zou zijn, of indien hij met de bond zou zijn overeengekomen een vordering wegens hem toekomende nog niet opeisbare bedragen om te zetten in een rentedragende vordering - is hier geen sprake van "rentedragend geworden" in de zin van artikel 33. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 15 november 1995.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--.