Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3112

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30408
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8, geldigheid: 1995-11-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 juni 1994 betreffende de haar voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1985 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ a. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende is een vennootschap wier financiering door haar moedervennootschap onder meer geschiedde door in rekening-courant verstrekte leningen, van welke leningen geen contracten zijn opgemaakt. Belanghebbendes moedervennootschap heeft van deze leningen jaarlijks - en ook in het onderwerpelijke jaar - bedragen kwijtgescholden. In de commerciële jaarrekeningen van belanghebbende zijn deze kwijtgescholden bedragen telkens tot het resultaat gerekend, hetzij als bijzondere bate, hetzij als resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening. In de fiscale jaarrekeningen zijn deze kwijtgescholden bedragen aangemerkt als informele kapitaalstortingen. Door belanghebbende is op 19 september 1990 ter zake van de kwijtgescholden bedragen met betrekking tot de jaren 1984 tot en met 1988 om het opleggen van naheffingsaanslagen kapitaalsbelasting verzocht. Blijkens later opgemaakte notulen van in maart 1987, maart 1988 en maart 1989 gehouden buitengewone aandeelhoudersvergaderingen is aangaande de kwijtscheldingen het volgende besproken:

"Under discussion was the proposal to grant (....) an undue compensation for its activities carried out in the year 1986, "- respectievelijk 1987 en 1988 - " such as activities for opening new markets, development of new products etc. ... It was decided to grant this compensation by means of an aquittal of credits on account current to the amount of the compensation.".

3.1.2. Belanghebbende verwierf in 1983 alle aandelen in een Franse S.A. De kwijtschelding van een vordering van belanghebbende op deze dochtervennootschap merkte zij in haar aangifte voor het onderhavige jaar aan als een informele kapitaalstorting in die vennootschap. Daarom heeft zij dit bedrag niet ten laste van de winst gebracht.

3.2. Het Hof heeft de vraag of de Inspecteur terecht het bedrag van de kwijtschelding door belanghebbendes moedervennootschap met betrekking tot het jaar 1985 tot belanghebbendes winst heeft gerekend, bevestigend beantwoord. Hiertoe heeft het Hof overwogen: - dat in beginsel de civielrechtelijke vormgeving beslissend is voor de fiscale gevolgen; - dat de bedragen die door of voor rekening van belanghebbendes moedervennootschap aan belanghebbende anders dan door storting op aandelen zijn betaald, ten titel van geldlening in rekening-courant zijn verstrekt; - dat slechts in uitzonderingsgevallen een lening kan worden aangemerkt als een toevoeging aan het vermogen van een dochtervennootschap; - dat die uitzondering zich onder andere voordoet indien de geldlening onder zodanige omstandigheden is verstrekt dat aan de uit die lening voortvloeiende vordering, naar reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt, omdat het door de schuldeiser ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald en dit in zoverre zijn vermogen blijvend heeft verlaten; - dat op belanghebbende de last rust het bestaan van de hiervóór beschreven uitzonderingssituatie aannemelijk te maken; - dat het Hof onvoldoende acht hetgeen belanghebbende ter ondersteuning van haar standpunt aanvoert; - dat belanghebbende geen steekhoudend motief heeft gegeven waarom in het jaar 1985 en volgende jaren in de fiscale jaarrekeningen moest worden afgeweken van de in de commerciële jaarrekeningen gevolgde handelwijze; - dat de argumenten inzake de harde concurrentie in de branche en de hoge aanloopkosten argumenten zijn die dikwijls bij de start van een onderneming gelden, maar die niet noodzakelijkerwijs behoeven te leiden tot verdere kapitaaldeelname, en dat niet zelden ook gewerkt wordt met aanvullende kredietverstrekking.

3.3. Voor zover middel I zich tegen deze oordelen keert met het betoog dat het Hof daarin is uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast, faalt het, aangezien het Hof terecht van belanghebbende het bewijs heeft verlangd van haar stelling dat - in afwijking van de civielrechtelijke vormgeving - hetzij de verstrekking van de lening door de moedervennootschap, hetzij de in het onderhavige jaar verleende kwijtschelding als een informele kapitaalverstrekking moet worden aangemerkt. Voor het overige bestrijdt het middel vorenvermelde oordelen met motiveringsklachten. Ook deze klachten falen, daar die oordelen niet onvoldoende zijn gemotiveerd en, mede in het licht van hetgeen het Hof aangaande de notulen van de buitengewone aandeelhoudersvergaderingen heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk zijn.

3.4. Voor het Hof heeft belanghebbende subsidiair gesteld dat de kwijtschelding van de vordering van belanghebbende op de Franse dochtervennootschap alsnog ten laste van haar winst diende te worden gebracht. Het Hof heeft te dien aanzien overwogen dat de Inspecteur heeft bestreden dat, anders dan in de bij de aangifte overgelegde jaarrekening is verwerkt, de kwijtschelding van de vordering op de Franse S.A. als een bedrijfslast dient te worden aanvaard, en heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende tegenover de bestrijding door de Inspecteur op geen enkele wijze waarmaakt dat haar aanvankelijke stellingname onjuist was en ten aanzien van deze kwijtschelding geen sprake was van deelneming in genoemde S.A. Middel II voert aan, dat het Hof aldus de bewijslast onjuist heeft verdeeld. Het middel is gegrond, daar op de Inspecteur de bewijslast rustte dat de kwijtschelding van de vordering op de dochtervennootschap voor de heffing van de vennootschapsbelasting als een informele kapitaalinbreng diende te worden aangemerkt en dientengevolge als een verlies uit hoofde van de deelneming in die vennootschap bij de bepaling van de winst van belanghebbende buiten aanmerking diende te blijven.

3.5. Op grond van het hiervóór in 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is op 15 november 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.