Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3095

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-1995
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
29611
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/208 met annotatie van G. Slot
FED 1995/219
FED 1995/383
WFR 1995/458, 1
V-N 1995/1182, 15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 5 maart 1993 betreffende na te melden besluit.

1. Verzoek, bezwaar, en geding voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven Op 7 augustus 1989 heeft belanghebbende op de voet van artikel 16a, lid 1, van de Wet investeringsrekening (hierna: de WIR) de Minister van Economische Zaken verzocht om afgifte van een verklaring omtrent een investering van belang voor een goed leefmilieu. De Minister heeft dit verzoek afgewezen bij beschikking van 29 december 1989 en het door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaar verworpen bij beschikking van 22 januari 1992. Belanghebbende heeft tegen laatstbedoelde beschikking van de Minister beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College), dat het beroep heeft verworpen. De uitspraak van het College is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het College beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Minister heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Het onderhavige verzoek heeft betrekking, voor zover van belang, op een investering in een ketel/branderinstallatie. Het vermeldt als datum van ingebruikneming: 1 december 1988. De ketel/branderinstallatie is op 1 december 1988 in werking gesteld, doch deze vertoonde gebreken, die eind februari 1989/begin maart 1989 zijn opgelost, waarna het apparaat probleemloos is gaan functioneren. Op 1 november 1991 heeft de Belastingdienst/ondernemingen te P zich akkoord verklaard met wijziging van de feitelijke bedrijfseconomische datum van ingebruikname van de branderinstallatie, als onderdeel van de totale verwarmingsinstallatie. Die datum werd zodanig gewijzigd dat niet met ingang van 1 december 1988, maar met ingang van 24 februari 1989 met afschrijving zou worden begonnen.

3.2. Belanghebbendes verzoek om afgifte van een milieuverklaring is afgewezen, op grond dat dit niet binnen 6 maanden na ingebruikneming is ingediend.

3.3. Het College heeft geoordeeld dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, niet kan leiden tot het oordeel dat de Minister ten onrechte heeft geweigerd uit te gaan van een ander tijdstip van ingebruikneming dan 1 december 1988. Daartoe heeft het College overwogen dat de door belanghebbende bij zijn aanvraagformulier opgegeven datum van ingebruikneming, 1 december 1988, bij accountantsverklaring afzonderlijk juist en accoord is bevonden, dat, naar belanghebbende heeft bevestigd, de ketel/branderinstallatie het tuinbouwcomplex van belanghebbende vanaf 1 december 1988 - ondanks gebreken ten behoeve van de teelt heeft verwarmd, en dat gesteld noch gebleken is dat de ketel/branderinstallatie als bedrijfsmiddel voor de onderneming van belanghebbende sedertdien geen nutsopbrengst heeft geleverd. Het College heeft voorts geoordeeld dat aan voormeld oordeel niet in de weg staat de regel dat bedrijfseconomisch de afschrijving eerst een aanvang kan nemen op het tijdstip van de feitelijke ingebruikneming van het bedrijfsmiddel, nu dit niet meebrengt dat in omstandigheden als hier aan de orde, waarin de belastingplichtige de aanvang van een afschrijving om hem moverende reden uitstelt tot een na dat tijdstip gelegen moment, het betrokken bedrijfsmiddel voor de toepassing van artikel 16a, lid 3, van de WIR geacht moet worden eerst dan in gebruik te zijn genomen, wanneer de afschrijving een aanvang heeft genomen, en dat de instemming van de belastingdienst om een dienovereenkomstige wijziging aan te brengen in belanghebbendes aangifte voor het jaar 1988 dat niet anders maakt.

Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 1 van de WIR.

3.4. De middelen, die zich primair tegen voormelde oordelen keren, kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. Het subsidiaire onderdeel van de middelen betoogt dat het College geen onafhankelijk rechtscollege is, waarmede het kennelijk doelt op de zaak Van Hurk tegen Nederland (arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 april 1994, nr. 9/1993/404/482, Series A, vol. 288) betreffende artikel 74 van de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie. Dit onderdeel faalt reeds daarom, omdat in artikel 19, lid 2, van de WIR de artikelen 74 en 75 van bedoelde wet met betrekking tot beslissingen in zaken als de onderhavige niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt- Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 8 maart 1995.