Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3081

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29785
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/105 met annotatie van Laeijendecker
FED 1995/147
FED 1995/199
WFR 1995/306
V-N 1995/970, 29 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de erven X-Y te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juni 1993 betreffende de aan belanghebbenden opgelegde aanslagen in het recht van successie ter zake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van X- Y, overleden te Q op 7 april 1991.

1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbenden zijn ter zake van hun verkrijgingen uit de nalatenschap van X-Y (hierna: erflaatster) aanslagen in het recht van successie opgelegd naar verkrijgingen van elk ƒ 94.964,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de uitspraak van het Hof naar aanleiding van het middel en ambtshalve 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De erflaatster is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met X, welk huwelijk op 25 maart 1991 is ontbonden door het overlijden van laatstgenoemde. Bij testament heeft X tot zijn enige erfgenamen benoemd zijn zes kinderen, de belanghebbenden in de onderhavige procedure, ieder voor een zesde gedeelte, onder bezwaar van een legaat van het vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap ten behoeve van erflaatster. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde onder meer het door de echtgenoten bewoonde pand. Bij notariële akte van 6 april 1991, waarin de comparant één der erfgenamen is, de volmachtgeefster sub 1 de weduwe en de volmachtgevers sub 2 tot en met 6 de overige erven zijn, is geconstateerd:

"De comparant verklaarde bij deze akte willen overgaan tot de scheiding en verdeling van na te melden onroerend goed behorende tot de algehele gemeenschap van goederen waarin de volmachtgeefster sub 1 was gehuwd met X en van de daarin begrepen nalatenschap van laatstgenoemde."

"Verdeling De comparant verklaarde vervolgens: A. Gemeld onroerend goed wordt bij deze toegedeeld aan de comparant en de volmachtgevers sub 2 tot en met 6 en wel aan ieder hunner voor een onverdeeld een/zesde gedeelte, zulks onder verplichting voor de comparant en de volmachtgevers sub 2 tot en met 6 tezamen om wegens overbedeling uit te keren aan de volmachtgeefster sub 1 in totaal een bedrag in contanten overeenkomende met de helft van de waarde welke voor gemeld onroerend goed zal worden aangehouden bij de heffing van successierechten in de nalatenschap van erflater. B. De scheiding en verdeling van gemeld onroerend goed heeft aldus plaats gehad, ieder heeft het hem/haar toegedeelde ontvangen, over en weer is kwijting en décharge verleend en er is afstand gedaan van het recht om op grond van enige bepaling van het Burgerlijk Wetboek ontbinding of vernietiging van deze scheiding en verdeling te vorderen. Geldlening Voorts verklaarde de comparant dat de schuld wegens overbedeling bij deze door schuldvernieuwing is omgezet in een schuld wegens geldlening tot een gelijk bedrag, welke schuld zal worden verrekend bij de verdere afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Afgifte vruchtgebruiklegaat Vervolgens verklaarde de comparant, ter gedeeltelijke voldoening van het door erflater ten behoeve van de volmachtgeefster sub 1 besproken legaat bij deze aan genoemde X-Y af te geven het levenslang vruchtgebruik van vorenbedoeld onroerend goed aan de a-straat 1 te Q, welk vruchtgebruik door de comparant namens de volmachtgeefster sub 1 wordt aanvaard."

Erflaatster is op 7 april 1991 overleden. De Inspecteur heeft zich bij het opleggen van de onderhavige aanslagen op het standpunt gesteld dat belanghebbenden bij het overlijden van erflaatster de onverdeelde helft van de woning op grond van het bepaalde in artikel 10 van de Successiewet 1956 krachtens erfrecht hebben verkregen. 3.2. De in de notariële akte vermelde verdeling laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de huwelijksgemeenschap gedeeltelijk is verdeeld in die zin dat de woning is toegescheiden aan de nalatenschap waarbij de erven een schuld wegens overbedeling op zich hebben genomen. De in het eerste citaat in 3.1 voorkomende zinsnede "en van de daarin begrepen nalatenschap" berust op een misslag. Voor het woord "van" moet kennelijk worden gelezen "tot". 3.3. Het Hof heeft geoordeeld, dat belanghebbenden op grond van het bepaalde in artikel 10 van de Successiewet 1956 de hun bij de gedeeltelijke verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap toegescheiden onverdeelde helft van de woning geacht moeten worden bij het overlijden van erflaatster krachtens erfrecht te hebben verkregen. Aan dit oordeel ligt kennelijk ten grondslag de opvatting dat, ingeval bij verdeling van een door het overlijden van een der echtgenoten ontbonden huwelijksgemeenschap vermogensbestanddelen worden toegescheiden aan de gezamenlijke erfgenamen in hun hoedanigheid van gerechtigden tot de nalatenschap van de overleden echtgenoot en vervolgens afgifte van het gelegateerde levenslang vruchtgebruik van de gehele nalatenschap aan de langstlevende echtgenoot plaatsvindt, bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot de toegescheiden vermogensbestanddelen door de erfgenamen van die echtgenoot voor de toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956 geacht moeten worden krachtens erfrecht te zijn verkregen. Die opvatting kan evenwel niet als juist worden aanvaard. In een situatie als hier bedoeld is van een "verband" als bedoeld in artikel 10 van de Successiewet 1956 geen sprake. Het vruchtgebruik staat los van de toescheiding. 3.4. Gelet op het in 3.3 overwogene is dan ook, anders dan het Hof heeft geoordeeld, voor toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956 met betrekking tot de van de erflaatster verkregen onverdeelde helft van de woning geen plaats. 3.5. De vraag of de in 3.1 vermelde toedeling van de onverdeelde helft van de woning - kennelijk in het zicht van overlijden - tegen de in artikel 21, lid 4, van de Successiewet 1956 bedoelde waarde van de woning een schenking in de zin van die wet inhoudt, moet hier blijven rusten omdat uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat de Inspecteur hieromtrent voor het Hof iets heeft aangevoerd. 3.6. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De verkrijgingen bedragen per erfgenaam ƒ 94.964,-- -/- ƒ 12.458,-- = ƒ 82.506,--.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbenden in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede die van de Inspecteur, vermindert de aanslagen tot aanslagen naar verkrijgingen van elk ƒ 82.506,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbenden wordt vergoed het door hen ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,-- alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 375,--, en stelt belanghebbenden in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, in raadkamer van 8 februari 1995.