Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3079

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29747
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/176 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 1995/220
FED 1995/475
WFR 1995/459
V-N 1995/1235, 18 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 mei 1993 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1983 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 558.584,-- met een verhoging wegens niet tijdige aangifte groot ƒ 250,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De aanslag is nadien door de Inspecteur ambtshalve verminderd wegens toepassing van een aftrek elders belast over een buitenlandse winst groot ƒ 384.371,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft gehandhaafd, zoals de Inspecteur die ambtshalve heeft verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 27 september 1994 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende stelt zich ten doel de verwerving, exploitatie en vervreemding van onroerende zaken.

3.1.2. Belanghebbende vormt een fiscale eenheid met onder meer haar dochtervennootschap A B.V. en de 100% dochtervennootschap van die B.V., B B.V. B B.V. is eigenaresse van in België gelegen winkelpanden. Deze winkelpanden worden aan derden verhuurd.

3.1.3. De inkomsten, behaald uit deze winkelpanden, worden op grond van het Verdrag met België van 19 oktober 1970, Tractatenblad 1970, nr. 192, in België belast, zoals bepaald in de artikelen 6 en 13 van dat verdrag.

3.2. Tussen partijen is in geschil of de boekwaarde van de in België gelegen winkelpanden bij de bepaling van de grondslag voor de toepassing van de vermogensaftrek van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met artikel 14a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1983, hierna: de Wet) al dan niet buiten aanmerking moet worden gelaten.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat reeds op grond van de tekst van artikel 14a van de Wet de onderhavige vermogenbestanddelen buiten aanmerking moeten blijven voor de toepassing van de vermogensaftrek, omdat deze vermogensbestanddelen op grond van artikel 2, lid 5, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 behoren tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende en op de met deze in België gelegen vermogensbestanddelen behaalde winst een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

3.4. Het middel bestrijdt dit oordeel met het betoog dat op grond van artikel 14a, lid 2, aanhef en letter c, van de Wet slechts voor vermogensaftrek buiten aanmerking blijven vermogensbestanddelen die - anders dan in casu - een zodanige organische samenhang vertonen, dat gesproken kan worden van een zelfstandig(e) (gedeelte van een) onderneming in materiele zin, terwijl op de winst van die onderneming - of een zelfstandig gedeelte daarvan - een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.

3.5. Voor de toepassing van de regeling van de bijzondere winstaftrek, die van kracht was gedurende de jaren 1978 tot en met 1980, was in het te dezen toepasselijk verklaarde artikel 44j van de Wet bepaald dat buiten aanmerking bleven: "vermogensbestanddelen en reserves waarvan de waardeveranderingen onderscheidenlijk de wijzigingen behoren tot winst ter zake waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting geldt". Ingaande het jaar 1981 de bijzondere winstaftrek vervangen door de vermogensaftrek, zoals geregeld in het toen ingevoerde artikel 14a van de Wet. Ingevolge artikel 14a, lid 2, aanhef en letter c, bleven voor vermogensaftrek buiten aanmerking: "vermogensbestanddelen en reserves behorende tot een onderneming of een gedeelte van een onderneming, op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is;".

3.5.1. De geschiedenis van de totstandkoming van genoemd artikel 14a houdt geen aanwijzing in dat de wetgever met de toevoeging "een onderneming of een gedeelte van een onderneming" heeft beoogd de vermogensaftrek mogelijk te maken voor alle vermogensbestanddelen die niet behoren tot een in het buitenland gevestigde onderneming of tot een in het buitenland uitgeoefend gedeelte van een onderneming. De Memorie van Toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 24 juni 1981, Stb. 387, stelt met betrekking tot de regeling van de vermogensaftrek: "De volgende correctie betreft de vermogensbestanddelen en de reserves van een in het buitenland gelegen filiaal of onderneming op de winst waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is (artikel 14a, tweede lid, letter c). Bij de bijzondere winstaftrek geschiedt hetzelfde." (Kamerstukken II 1980/81, 16539, nr. 3, blz. 19). Een aanwijzing in evenvermelde zin kan daarin niet worden gelezen.

3.5.2. Indien de zienswijze van belanghebbende zou worden gevolgd, zou vermogensaftrek verkregen worden over vermogensbestanddelen, hoewel daarmee winst wordt gerealiseerd die niet aan Nederlandse belastingheffing is onderworpen. Een zodanige uitlegging, waartoe de tekst van artikel 14a, lid 2, aanhef en onder letter c, niet dwingt, zou in strijd komen met de strekking van de bepaling, zoals die blijkt uit de historische ontwikkeling, als weergegeven in onderdeel 3.3 van de conclusie van het Openbaar Ministerie. Volgens die strekking immers komt voor de grondslag waarover de vermogensaftrek wordt berekend, slechts in aanmerking ondernemingsvermogen waarvan het waardeverloop ten volle deel uitmaakt van de winst die aan Nederlandse belastingheffing is onderworpen. De in het middel aangevoerde omstandigheid dat het buitenlandse gedeelte van de onderneming op zichzelf geen organisatorisch samenhang vertoont, is te dezen niet van belang.

3.5.3. Uit het hiervóór overwogene volgt dat de onderhavige, in België gelegen winkelpanden, waarvan de opbrengst en de waardeveranderingen uitsluitend aan Belgische belasting onderworpen zijn, niet voor de vermogensaftrek in aanmerking mogen worden genomen. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 8 maart 1995.