Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3069

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29983
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/139
FED 1995/267
WFR 1995/491
V-N 1995/1286, 6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 oktober 1993 betreffende na te melden navorderings- aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1986 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.000,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 56.021,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 50 percent kwijtschelding is verleend. Belanghebbende is tegen die aanslag en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd, het kwijtscheldingsbesluit heeft vernietigd, en van de in de navorderingsaanslag begrepen verhoging tot op 25 percent kwijtschelding heeft verleend. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende drijft een zogenoemd buurtcafé. Hij is gehuwd en tot zijn gezin behoort één kind, dat in 1966 is geboren. Zijn echtgenote werkt mee in de onderneming. In opdracht van de Inspecteur is in 1990 over de jaren 1985 tot en met 1988 bij belanghebbende een boekenonderzoek voor de inkomstenbelasting ingesteld. Bij dat onderzoek is het volgende bevonden: Belanghebbende boekte eenmaal per week de omzet aan de hand van de kassa-afslagen. Het kassaldo werd globaal vergeleken met het boeksaldo. Ter voorkoming van negatieve kassaldi had belanghebbendes boekhouder eind 1987 een bedrag van ƒ 12.953,20 aan omzet bijgeboekt. Een betaling van ƒ 1.000,-- was eind 1987 niet in het kasboek verwerkt. Volgens de jaarstukken bedroeg de brutowinst uitgedrukt in een percentage van de inkoop voor de jaren 1985 tot en met 1988 achtereenvolgens: 166%, 171%, 142% en 193%. De met de beschikbare gegevens gemaakte vermogensvergelijkingen voor de jaren 1987 en 1988 leidden tot negatieve bedragen voor besteedbare privé-uitgaven ter grootte van respectievelijk ƒ 19.911,-- en ƒ 26.550,--.

3.1.2. Uitgaande van de omstandigheid dat de bruto-winstpercentages volgens de jaarstukken lager uitkwamen dan het gemiddelde percentage dat volgens de controlerende ambtenaar door vergelijkbare cafés wordt behaald, en in aanmerking nemende dat belanghebbende daarvoor geen verklaring kon geven, heeft de controlerende ambtenaar, mede gelet op de bevindingen die hiervóór in 3.1.1 zijn weergegeven, geconcludeerd tot verwerping van de boekhouding van belanghebbende. Op basis van de goederenbewegingen voor de jaren 1987 en 1988 heeft hij een gewogen bruto-winstpercentage berekend. Rekening houdend met de omstandigheid dat goederen werden weggegeven en weggegooid, heeft de controlerende ambtenaar bedoeld percentage bepaald op 211. Aan de hand daarvan heeft hij de omzet voor de gecontroleerde jaren herberekend.

3.1.3. In het kader van besprekingen met belanghebbendes gemachtigde om in onderling overleg tot overeenstemming te komen over de hoogte van de correcties heeft de Inspecteur voorgesteld het bruto-winstpercentage voor het jaar 1986 te stellen op 200. Hoewel belanghebbende dit voorstel niet heeft aanvaard, heeft de Inspecteur niettemin - naar zij stelt per abuis - de onderwerpelijke navorderingsaanslag in overeenstemming daarmee opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes boekhouding als grondslag voor de winstbepaling voor het onderhavige jaar (1986) moet worden verworpen. Het heeft als redengeving voor dit oordeel mede gebezigd de stelling van de Inspecteur dat een vergelijkbaar café een brutowinstpercentage van 206 had, en heeft daarbij overwogen dat het geen reden heeft te twijfelen aan de stelling van de Inspecteur dat het hier om een met de onderneming van belanghebbende vergelijkbare onderneming gaat. Belanghebbende heeft voor het Hof betwist dat de gegevens betreffende dit café met die van het zijne vergelijkbaar zijn. Aangezien uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat omtrent dit café zodanige gegevens ter beschikking waren, dat de juistheid van die stelling door belanghebbende kon worden getoetst, heeft hij zich kennelijk tegen vorenvermelde stelling niet voldoende kunnen verweren. 's Hofs uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat middel II gegrond is.

3.3. Het Hof heeft zijn hiervóór in 3.2 vermelde oordeel tevens gegrond op gegevens betreffende de jaren 1987 en 1988. Voor zover middel I zich hiertegen keert, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien het Hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de boekhouding van een belastingplichtige rekening mag houden met hetgeen is gebleken omtrent de boekhouding over andere jaren dan het voor de aanslag in aanmerking komende jaar. Voor zover middel I erover klaagt dat het Hof belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn stelling met nader bewijs, zoals getuigenverklaringen, te onderbouwen, faalt het eveneens, aangezien uit 's Hofs uitspraak noch uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende bij het Hof heeft aangeboden bewijs door middel van getuigen te leveren, en het Hof niet verplicht was ambtshalve belanghebbende tot getuigenbewijs toe te laten.

3.4. Op grond van het hiervóór in 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven; verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 15 maart 1995.

Van de beslissing omtrent de verhoging wordt mededeling gedaan ter openbare terechtzitting van 29 maart 1995.