Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3061

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30263
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/126
FED 1995/229
WFR 1995/462, 1
V-N 1995/1178, 13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 april 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.864,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.114,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende twee reizen naar Parijs heeft gemaakt in het kader van de voorbereiding en de begeleiding van een excursie van examenkandidaten van de onderwijsinstelling waaraan hij als leraar is verbonden alsmede dat de voorbereiding en de begeleiding van de excursie deel uitmaakten van belanghebbendes taak als leraar en derhalve geen verband houden met een excursie, studiereis of iets dergelijks van belanghebbende zelf. Aan deze, in cassatie niet bestreden, oordelen heeft het Hof met juistheid de gevolgtrekking verbonden dat het bepaalde in artikel 36, lid 1 aanhef en letter j, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet in de weg staat aan aftrek van de kosten die belanghebbende heeft gemaakt in verband met die reizen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling moet worden afgeleid dat de beperking van de aftrekbaarheid van kosten die verband houden met reizen als de onderhavige - omtrent welke kostenpost is opgemerkt dat het hierbij in het bijzonder gaat om evenementen die een voor de deelnemers veelal vrijblijvend karakter dragen (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1988/89, 20 873, nr. 3, blz. 28) - zich niet uitstrekt tot de kosten gemaakt door begeleiders van excursies, studiereizen en dergelijke, nu naar normaal spraakgebruik begeleiders als hier bedoeld niet als deelnemer worden aangeduid en het maken van excursies, studiereizen en dergelijke voor hen veelal geen vrijblijvend karakter heeft. Het middel waarin wordt betoogd dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen deelnemers aan excursies en dergelijke en de begeleiders daarvan faalt derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 15 maart 1995 vastgesteld door de raadsheer Wildeboer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep ƒ 300,-- geheven.