Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3044

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29536
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1995, 290
BNB 1995/206
FED 1995/112
FED 1995/209
WFR 1995/220, 2
V-N 1995/659, 23

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 3 maart 1993 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1985 een aanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 2.678,--, berekend naar een premie-inkomen van ƒ 12.911,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een premie-inkomen van ƒ 12.911,--, in welke aanslag zijn betrokken de premies ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna: AWW), de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) en de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is geboren in 1934 en gehuwd. Zij woonde in het onderhavige jaar (1985) in Z. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen ten bedrage van ƒ 12.504,53. In dit inkomen was begrepen een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW)/Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, groot ƒ 3.345,05 (bruto) en een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, "Erwerbsunfähigkeitsrente" genoemd, groot ƒ 9.966,53 (hierna: de rente). De rente kwam ten laste van de "Bundesversicherungsanstalt für Angestellte" (hierna: BfA) te Berlijn. Op de rente zijn in de Bondsrepubliek Duitsland geen premies ingehouden ter zake van de zogenoemde "Arbeitslosen u. Rentenversicherung" en de zogenoemde "gesetzliche Unfallversicherung". Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt de Duitse uitkering omgezet in een zogenoemd "Altersruhegeld", dat eveneens ten laste van de BfA komt. Belanghebbende is, ingevolge het bepaalde in artikel 2 jo. artikel 6, lid 1, aanhef en letter a, jo. artikel 23, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet, tekst 1985, (hierna: AOW) en de vergelijkbare artikelen in de overige volksverzekeringswetten, verzekerd ingevolge die wetten en uit dien hoofde premieplichtig voor de premieheffing volksverzekeringen. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende haar beroepswerkzaamheden voorgoed heeft gestaakt. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de rente in het premie-inkomen van belanghebbende moet worden begrepen. Belanghebbende heeft dit standpunt bestreden.

3.2.1. Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 21 februari 1991 in de zaak C- 140/88, BNB 1992/40, en het arrest van de Hoge Raad van 25 september 1991, BNB 1992/41, terecht vooropgesteld dat de regels van gemeenschapsrecht - in het bijzonder die vervat in de titels II en III van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (tekst 1985) - eraan in de weg staan dat belanghebbende - wegens het enkele feit dat zij hier te lande woonachtig is - in de premieheffing wordt betrokken voor een verplichte verzekering ter dekking van de kosten van prestaties die ten laste komen van een orgaan van een andere Lid-Staat.

3.2.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld: dat aannemelijk is dat ten laste van de BfA prestaties kwamen in de vorm van uitkeringen bij (langdurige) arbeidsongeschiktheid en wegens ouderdom; dat laatstbedoelde uitkering weliswaar lager is dan de in Nederland gebruikelijke uitkering ingevolge de AOW, maar dat in dezen geen gegevens zijn gebleken, die nopen tot de conclusie dat de uitkering overigens niet voor wat betreft aard en omvang vergelijkbaar is met de AOW; dat, gelet op eerdervermeld arrest van de Hoge Raad, belanghebbende niet in de premieheffing kan worden betrokken voor wat betreft de premies ingevolge de AOW en de AAW en wel voor wat betreft de premies ingevolge de AWW, de AWBZ en de AKW. Tegen dit oordeel keert zich het middel.

3.3. Met betrekking tot de AOW, AWW, AKW en AWBZ komen de uitkeringen die ingevolge de in het onderhavige jaar bestaande verzekeringsplicht aan belanghebbende zullen kunnen toekomen, geheel ten laste van de daartoe aangewezen Nederlandse fondsen. Het recht van belanghebbende op een Altersruhegeld ten laste van een orgaan van de Bondsrepubliek Duitsland beperkt niet haar rechten op een uitkering ingevolge de AOW naar rato van de jaren waarin zij in Nederland verzekerd was. Geen rechtsregel staat eraan in de weg belanghebbende voor genoemde volksverzekeringen overeenkomstig de nationale wetgeving als verzekerde aan te merken, en in de grondslag voor de te dier zake te heffen premie mede de door belanghebbende genoten rente op te nemen.

3.4. Ook voor de AAW is belanghebbende overeenkomstig de nationale wetgeving als verzekerde aan te merken, en dient de rente in het premie-inkomen te worden begrepen. De premie ten behoeve van deze verzekering kan evenwel niet ten volle worden geheven. De uitkering van de rente ten laste van een orgaan van de Bondsrepubliek Duitsland brengt mee dat ingevolge artikel 43 van de AAW jo. het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 526, houdende regelen met betrekking tot de samenloop van AAW-uitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid, de AAW-uitkering waarop belanghebbende aanspraak heeft, slechts wordt uitgekeerd voor zover deze het bedrag van de rente overtreft. Aangezien aldus een deel van de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, waarin voor wat Nederland betreft wordt voorzien door de AAW, in feite ten laste van een orgaan van de Bondsrepubliek Duitsland komt, kan van belanghebbende, gelet op vorenvermeld arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, in zoverre geen premie ingevolge de AAW worden geheven. Een redelijke wetstoepassing brengt alsdan voor een geval als het onderhavige mee dat het bedrag van deze premie dient te worden verminderd met een deel, overeenkomstig de verhouding tussen het bedrag van de rente en het gezamenlijke bedrag van de rente en de resterende uitkering ingevolge de AAW.

3.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel ten dele gegrond is. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Naar de stukken van het geding uitwijzen is in de aanslag aan premie AAW ƒ 592,-- begrepen, hetgeen meebrengt dat de aanslag moet worden verminderd met 9966/13311 x ƒ 592,-- is ƒ 443,--.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, en vermindert de aanslag met ƒ 443,--.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt- Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend Van Hooff, in raadkamer van 25 januari 1995.