Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3022

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30171
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 270 (oud)
Gemeentewet 277(oud)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1995/532 met annotatie van Redactie
BNB 1995/106 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 1995/150
WFR 1995/307, 2
V-N 1995/1050, 22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Directeur dienst middelen, interne- en burgerzaken van de gemeente Almelo (hierna: de Directeur) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 maart 1994 betreffende de na te melden kennisgeving, waarbij van X te Z een bedrag aan marktgeld is geheven.

1. Kennisgeving, bezwaar en geding voor het Hof Van belanghebbende is ter zake van het innemen van een standplaats op een markt in het centrum van Q op donderdag 7 januari 1993, door middel van een gedagtekende kennisgeving een marktgeld geheven ten bedrage van f 39,60, welk bedrag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en het geheven marktgeld verminderd tot een bedrag van ƒ 34,60. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Directeur heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In het marktgeld als van belanghebbende geheven, is overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, lid 3, van de hiervan toepassing zijnde marktgeldverordening 1993 begrepen een vast bedrag van vijf gulden, dat alleen wordt geheven van degenen die op donderdag een standplaats innemen op een markt in het centrum van Q. Dit, in navolging van partijen als reclamegeld aan te duiden, bedrag is bestemd ter dekking van kosten verbonden aan, door de plaatselijke afdeling van de centrale vereniging voor ambulante handel in samenwerking met een commissie van standplaatshouders en de marktmeester gecoördineerde, reclameactiviteiten ter bevordering van in het centrum van Q te houden markten. 3.2. Het Hof heeft, op de grond dat de hiervoor genoemde activiteiten niet kunnen worden begrepen onder het innemen van een stand- of staanplaats ten behoeve van het uitstallen, aanbieden of verkopen van goederen op markten als bedoeld in artikel 1 van de marktgeldverordening 1993 en evenmin onder het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn als bedoeld in artikel 277, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 1 (oud), van de Gemeentewet, geoordeeld dat het reclamegeld ten onrechte - waarmee het Hof kennelijk bedoelt: op grond van een in zoverre niet verbindende verordening - van belanghebbende is geheven. 3.3. Het in dit oordeel besloten liggende oordeel, dat de kosten van eerdergenoemde reclame-activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als kosten van beheer die kunnen worden toegerekend aan het gebruik dat van het marktterrein wordt gemaakt door het innemen van een stand- of staanplaats in vorenbedoelde zin, is juist. De van een andere opvatting uitgaande primaire klacht van de Directeur faalt derhalve, evenals de op die klacht voortbouwende subsidiaire klacht.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na de dag van de uitspraak in het openbaar zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Directeur wordt terugbetaald hetgeen van het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,-- resteert na verrekening van het ter zake van het cassatieberoep verschuldigde recht van ƒ 75,--, derhalve een bedrag van ƒ 75,--.

Dit arrest is op 15 februari 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.