Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3020

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30201
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/83
FED 1995/130
FED 1995/715
WFR 1995/261, 2
V-N 1995/842, 19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 1994 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 9.379,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende genoot in 1991 een basisbeurs voor een uitwonende studerende van ƒ 6.840,-- op grond van de Wet op de studiefinanciering. Daarnaast genoot hij loon uit dienstbetrekking. In zijn aangifte voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende ter berekening van de als buitengewone last op hem drukkende uitgaven ter zake van opleiding of studie voor een beroep die studiekosten verminderd met 80 percent van de in de basisbeurs vervatte componenten "boeken en leermiddelen" en "onderwijsbijdrage". Bij de vaststelling van de aanslag heeft Inspecteur die vermindering gesteld op 80 percent van het gehele bedrag van de basisbeurs. 3.2. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de Inspecteur op grond van artikel 46, lid 9, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in verbinding met de artikelen 30b, aanhef en onderdeel d, onder 2° en 3°, van de Wet en artikel 6, aanhef en onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (tekst 1991) de Wet en de daarop gebaseerde ministeriële regeling juist heeft toegepast. De van een andere opvatting uitgaande klachten onder 1 en 2 falen derhalve. 3.3. Belanghebbende heeft voor het Hof een betoog gehouden en in cassatie herhaald dat erop neerkomt dat het systeem van procentuele defiscalisering van uitkeringen als bedoeld in artikel 16, eerste en derde lid, van de Wet op de studiefinanciering leidt tot een niet geoorloofde ongelijke behandeling van genieters van zodanige uitkeringen met betrekking tot de aftrek van uitgaven ter zake van opleiding of studie voor een beroep ten opzichte van andere belastingplichtigen. Dit betoog faalt. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 februari 1988 tot wijziging van de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting in verband met de Wet op de studiefinanciering, Stb. 70, heeft de wetgever om redenen van uitvoerbaarheid - eenvoud en doelmatigheid - gekozen voor voormeld systeem. Voor een grote groep van circa 500.000 belastingplichtigen geldt dat tegenover het slechts gedeeltelijk belasten van studie-uitkeringen staat dat de studiekosten slechts gedeeltelijk als buitengewone last aftrekbaar zijn. Voor zover als gevolg van die keuze sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, heeft de wetgever in redelijkheid kunnen oordelen dat voor die behandeling de uitvoerbaarheid van de wetgeving een objectieve en redelijke rechtvaardiging biedt. De klacht onder 3 faalt derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep

Dit arrest is op 8 februari 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen en op die datum in het openbaar uitgesproken.