Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA3016

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30033
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/77
FED 1995/117
WFR 1995/223, 1
V-N 1995/638, 13

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 november 1993 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 62.398,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is sinds 1978 eigenaar van een bovenwoning, bestaande uit twee verdiepingen met in totaal negen kamers. Dit pand wordt van oudsher per kamer verhuurt en behoort tot belanghebbendes privé-vermogen. Omdat het niet voldeed aan de eisen, gesteld in de van toepassing zijnde Verordening op de verblijfsinrichtingen 1985 is belanghebbende door de dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Z bij aanschrijving van 6 oktober 1988 gesommeerd de geconstateerde gebreken te herstellen. Op 26 januari 1989 heeft belanghebbende aan de kamerbewoners de voor onbepaalde tijd aangegane huur opgezegd en is hij een ontruimingsprocedure begonnen. Op dezelfde datum heeft belanghebbendes advocaat de dienst Ruimtelijke Ordening laten weten dat belanghebbende het pand, mede in verband met exploitatie van de eronder gelegen winkel waarvan belanghebbende eveneens eigenaar is, zelf in gebruik wenste te nemen en dat verdere verhuur, bij herstel van de geconstateerde gebreken, verliesgevend zou worden. In januari 1990 is belanghebbende met de toen nog resterende vier kamerbewoners een dading overeengekomen, waarbij de bewoners zich verplichtten tot ontruiming van het pand tegen betaling door de belanghebbende van een bedrag van ƒ 2.500,-- per persoon onder de naam verhuiskostenvergoeding.

3.2. Het Hof heeft verworpen belanghebbendes stelling dat hij tot het betalen van de afkoopsommen heeft moeten overgaan omdat hij met het oog op de kosten van herstel van de geconstateerde gebreken feitelijk gedwongen werd de verhuur te staken. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat belanghebbende in plaats van te investeren en de verhuur voort te zetten heeft gekozen voor beëindiging van de huur, teneinde het pand vrij te krijgen voor zelfbewoning. Dit oordeel is echter ter weerlegging van belanghebbendes stelling niet toereikend. Die stelling hield immers juist in dat een keuze als het Hof hier voor ogen staat feitelijk - dat wil in dit verband zeggen bij economisch verantwoord handelen - niet bestond. Hierdoor komt ook de grond te ontvallen aan 's Hofs kennelijke oordeel dat geen causaal verband bestaat tussen de afkoopsommen en de inkomsten uit kamerverhuur. De klachten zijn in zoverre gegrond en behoeven voor het overige geen behandeling meer. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.

4. Na cassatie Onderzocht moet worden of er voor belanghebbende, gelet op de door de gemeente opgelegde verplichtingen, een zakelijk verantwoorde keuzemogelijkheid als door het Hof bedoeld bestond. Bij een ontkennende beantwoording vinden de ontruimingsvergoedingen haar grond in de tot dan toe gevoerde exploitatie van het pand zodat zij als op de inkomsten uit die exploitatie drukkende lasten en derhalve als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moeten worden beschouwd. In het andere geval is van aftrekbare kosten geen sprake, omdat dan de ontruimingsvergoedingen geacht moeten worden haar grond te vinden in omstandigheden van persoonlijke aard.

5. Proceskosten De Hoge Raad zal met oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

6. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, in raadkamer van 25 januari 1995.