Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1694

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30766
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 4, geldigheid: 1995-11-15
Wet op de omzetbelasting 1968 11, geldigheid: 1995-11-15
Wet op de omzetbelasting 1968 27, geldigheid: 1995-11-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/158
FED 1995/855
WFR 1995/1798, 1
V-N 1995/4247, 22

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de vennootschap onder firma X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 september 1994 betreffende het bedrag dat door haar als omzetbelasting op aangifte is voldaan over het tijdvak eerste kwartaal 1989.

1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbende heeft over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van ƒ 3.282,-- aan omzetbelasting. Zij heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur, waarna de Inspecteur bij uitspraak heeft besloten geen teruggaaf te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Belanghebbende exploiteert een landbouwbedrijf en een manegebedrijf. Tot haar activiteiten behoren onder andere het verschaffen van pension aan paarden van derden tegen betaling. Daarnaast houdt zij zich bezig met akkerbouw. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat met betrekking tot het stallen van paarden voor derden geen sprake is van prestaties als bedoeld in artikel 27, lid 1, onderdelen a en b, van de Wet op de omzetbelasting 1968, aangezien evenbedoelde activiteiten niet zijn aan te merken als levering van goederen vermeld in Tabel I, onderdeel a, behorende tot die wet, welke in de hoedanigheid van landbouwer zijn voortgebracht of geteeld noch naar hun aard bijdragen tot de agrarische produktie. Dit oordeel is juist. Belanghebbendes beroep op § 15 van de Toelichting landbouwregeling, Resolutie van 15 november 1983, nr. 283-14 899 (Fiscale encyclopedie De Vakstudie, Wet op de omzetbelasting 1968), is ongegrond, aangezien het stallen van paarden niet, zoals die paragraaf eist, bijdraagt tot de agrarische productie. Voor zover het middel zich tegen genoemd oordeel richt, faalt het derhalve. 3.3. Voor zover het middel ten betoge strekt dat het Hof ten onrechte niet de grief dat alsdan § 40 van de Toelichting landbouwregeling van toepassing is, heeft behandeld, is het gegrond. 3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval niet kan worden gezegd dat binnen het conglomeraat van prestaties, waarvan de terbeschikkingstelling van een box deel uitmaakt, deze als verhuur van een onroerende zaak zo sterk overheerst dat de overige prestaties als onbetekenend ter zijde moeten worden geschoven. Dit oordeel is echter onbegrijpelijk in het licht van de door belanghebbende voor het Hof aangevoerde stelling dat aan de eigenaren van de paarden een vaste box wordt verhuurd, aan welke verhuur 50 procent van de vergoeding moet worden toegerekend, welke stelling, indien juist bevonden, immers meebrengt dat niet kan worden gezegd dat naar maatschappelijke opvattingen door de eigenaren en belanghebbende een met deze verhuur onsplitsbaar geheel van prestaties is overeengekomen, doch dat naast de overige met de eigenaren overeengekomen prestaties sprake is van - in casu vrijgestelde - verhuur van onroerend goed. Aangezien het Hof deze stelling niet in zijn overwegingen heeft betrokken, is het middel, ook voor zover het voormeld oordeel aantast, gegrond. 3.5. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat evenmin de levering van voer zodanig overheerst dat de overige prestaties als onbetekenend ter zijde moeten worden gesteld. Gezien het hiervóór in 3.4 overwogene is aan dit oordeel de grond komen te ontvallen, zodat het middel voor zover het zich tegen dat oordeel keert, in zoverre gegrond is. 3.6. 's Hofs uitspraak kan, gelet op het hiervóór in 3.3, 3.4 en 3.5 overwogene, niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is op 15 november 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.