Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1691

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30849
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 1995-11-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 1996/18
BNB 1996/24
FED 1995/857
FED 1996/60
WFR 1995/1799, 1
V-N 1995/4333, 25

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Gemeente Etten-Leur tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 oktober 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1983 tot en met 31 december 1986 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 235.278,--, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de naheffingsaanslag heeft verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 161.571,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: De bebouwde kom van de gemeente Etten-Leur (hierna: de gemeente) wordt doorsneden door Rijksweg 58. Ten noorden van deze rijksweg liggen een aantal woonwijken, het centrum, het spoorwegstation en een sportpark. Ten zuiden ervan liggen eveneens enkele woonwijken, waaronder de in de jaren 1971 tot en met 1978 aangelegde wijk de Grauwe Polder (hierna: de Grauwe Polder), alsook de centrale bushalte, de enige school voor voortgezet onderwijs in de gemeente - ongeveer 2.200 leerlingen - en een winkelcentrum; geen van deze voorzieningen is in de Grauwe Polder gelegen. Op grond van een op 17 december 1979 genomen raadsbesluit heeft de gemeente op 250 à 275 m afstand van de Grauwe Polder onder genoemde rijksweg door fiets- en voetgangerstunnels laten aanleggen, waarvan zij de kosten heeft afgeboekt op de in haar Fonds Grote Werken gereserveerde, bij de exploitatie van het bestemmingsplan de Grauwe Polder behaalde overschotten.

3.2. In de onderwerpelijke naheffingsaanslag heeft de Inspecteur een bedrag van ƒ 149.700,-- begrepen, zich op het standpunt stellende dat dit bedrag ten onrechte op grond van de Resolutie van 6 augustus 1980, nr. 280-10 178, V-N 1980, blz. 1847 (hierna: de Resolutie) ter zake van de aanleg van de tunnels als voorbelasting in aftrek is gebracht.

3.3. Het Hof heeft overwogen dat op grond van de in het schrijven van Burgemeester en Wethouders van de gemeente aan de raad van 13 januari 1981 genoemde doelstelling, te weten de verkeersveiligheid, alsmede op grond van de geografische situatie, waaronder de omstandigheid dat de fietsroutes het noordelijk gedeelte van de bebouwde kom verbinden met de oudere meer oostelijk dan de Grauwe Polder gelegen wijk met daarin het winkelcentrum, de centrale bushalte en de scholengemeenschap, de aanleg van de tunnels primair is geschied uit oogpunt van verkeersveiligheid en de tunnels niet van méér belang zijn voor de verbinding tussen de Grauwe Polder en het noordelijk gedeelte van de bebouwde kom dan voor andere via de tunnels lopende verbindingen in de gemeente. Het Hof heeft geoordeeld dat in verband met een en ander niet kan worden gezegd dat de aanleg van de tunnels als het ware in het verlengde ligt van de voorzieningen met uitsluitend betekenis voor de Grauwe Polder en dat de tunnels zijn aan te merken als een voorziening waarvan de kosten - ook niet ten dele - in de grondprijs van de Grauwe Polder behoren te worden doorberekend dan wel aan grondeigenaren in de Grauwe Polder in rekening behoren te worden gebracht, een en ander in de zin van de punten 8 en 12 van de Resolutie.

3.4. De middelen strekken ten betoge dat de aanleg van de tunnels een bovenwijkse voorziening is in de zin van punt 7 van de Resolutie, welke op één lijn is te stellen met de aanleg van straten, plantsoenen en dergelijke, zodat op grond van punt 12, onderdeel c, van de Resolutie aftrek van voorbelasting kan plaats vinden.

3.5. Het betoog faalt, nu in 's Hofs oordeel ligt besloten dat de tunnels weliswaar een bovenwijkse voorziening vormen, maar van algemene betekenis zijn en derhalve de aanleg daarvan niet in het verlengde ligt van voorzieningen met uitsluitend planbetekenis als bedoeld in punt 12, onderdeel c, van de Resolutie. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

3.6. De middelen kunnen mitsdien niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 15 november 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.