Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1688

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30788
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:AA1688
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 8, geldigheid: 1995-11-29
Wet op de omzetbelasting 1968 27, geldigheid: 1995-11-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/67
FED 1995/890
FED 1996/210
WFR 1995/1882, 1
V-N 1995/4486, 12

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 augustus 1994 betreffende na te melden beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting ten name van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z.

1. Beschikking en geding voor het Hof Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak maart 1992 tot een bedrag van ƒ 8.962,-- is door de inspecteur bij beschikking van 12 mei 1992 ingewilligd. Belanghebbende is tegen die beschikking met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst vóór 1 januari 1994), rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof, dat het in de beschikking bepaalde bedrag van de teruggaaf heeft verhoogd tot ƒ 8.964,47. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 12 mei 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met de handel in en het kweken van zaaizaden. In het kader van haar bedrijf sluit belanghebbende met landbouwers contracten, waarop mede van toepassing zijn de Algemene Voorwaarden voor de teelt van in voorkoop gekochte zaaizaden van landbouwgewassen, op grond waarvan aan de landbouwers zaaizaad ter beschikking wordt gesteld. De landbouwers (hierna: de telers) zaaien de zaden uit ten einde meer en nieuw zaad te winnen. Dit zaad wordt bij belanghebbende afgeleverd, waarna het wordt verwerkt tot zaaizaad van een bepaalde kwaliteit, zuiverheid en kiemkracht. Na deze verwerking wordt het zuivere zaaizaad gekeurd door de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (hierna: de NAK). Indien het zaad aan bepaalde eisen van zuiverheid voldoet, geeft de NAK een certificaat af. Belanghebbende betaalt haar telers de overeengekomen vergoeding naar rato van de geleverde hoeveelheid gecertificeerd zaaizaad.

3.1.2. Bij Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 oktober 1971, nr. 2358/71 - houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector zaaizaad - (hierna: Verordening EEG I), nader uitgewerkt in de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1972, nr. 1674/72 - tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning en de financiering van de steun in de sector zaaizaad - (hierna: Verordening EEG II), alsmede in de Verordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 augustus 1972, nr. 1686/72 - houdende uitvoeringsbepalingen inzake de steun in de sector zaaizaad - (hierna: Verordening III), is de mogelijkheid geopend en uitgewerkt om financiële steun te verlenen bij de produktie van bepaalde soorten zaaizaad. Hiertoe eist artikel 2 van Verordening EEG II dat het zaad moet zijn geproduceerd a) hetzij op grond van een vermeerderingscontract dat is gesloten tussen een zaadhandelaar of een kweker enerzijds en een zaadvermeerderingsbedrijf anderzijds, b) hetzij rechtstreeks door de zaadhandelaar of kweker zelf. In de considerans van Verordening III wordt onder meer overwogen dat het mogelijk is dat de zaadhandelaar of de kweker een zekere tijd nodig heeft om het door de vermeerderaar geleverde zaad te behandelen, te verpakken en te laten certificeren en dat de steun derhalve pas enige maanden na de oogst aan laatstgenoemde kan worden toegekend, doch dat hiervoor evenwel een uiterste datum moet worden vastgesteld. In artikel 3, lid 1, eerste alinea, van Verordening III is bepaald dat de steun aan de vermeerderaar wordt toegekend, wanneer hiertoe nà de oogst en vóór een door de betrokken Lid-Staat voor elke soort of groep rassen vast te stellen datum een aanvraag wordt ingediend. Ter uitvoering van deze EEG Verordeningen heeft het bestuur van het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten op 8 maart 1973 de Verordening Akk teelttoeslag zaaizaden 1973 (hierna: de Verordening AKK) vastgesteld. Ingevolge artikel 2, lid 1, van de Verordening AKK wordt aan de producenten van de daarvoor aangewezen soorten zaaizaad toeslag verleend als bedoeld in artikel 3 van de Verordening EEG I, terwijl volgens lid 2, aanhef en onderdeel b, van dit artikel het bepaalde in lid 1 slechts toepassing vindt indien en voor zover het zaad in Nederland is geteeld I. door een kweker/handelaar, dan wel II. door een producent op een vermeerderingscontract met een kweker/handelaar als bedoeld onder I. De zaaizaadsubsidie bestaat uit een bedrag per 100 kg voortgebracht gecertificeerd zaaizaad. De subsidie wordt op basis van een opgave door de NAK van door haar goedgekeurd en gecertificeerd zaaizaad uitbetaald door het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten.

3.1.3. Belanghebbende heeft met A te Q - een landbouwer die niet een verzoek heeft gedaan als bedoeld in artikel 27, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1992, hierna: de Wet) - een participatie-overeenkomst gesloten met betrekking tot het door A te winnen zaad van het Westerwolds raaigras Promenade, een zaad waarvoor vorenbedoelde zaaizaadsubsidie wordt toegekend. A is verplicht al het door hem gewonnen zaad (op) te leveren aan belanghebbende. A heeft in de maand maart 1992 aan belanghebbende geleverd 100 kg schoon en droog zaad van Westerwolds raaigras Promenade oogst 1991. Op de door belanghebbende opgemaakte afrekening staat naast een bedrag, groot ƒ 150,--, vermeerderd met ƒ 7,89 (BTW-vergoeding 5,26%) tevens vermeld zaaizaadsubsidie ƒ 46,95, vermeerderd met ƒ 2,47 (BTW-vergoeding 5,26%). Ter zake van deze (op)levering heeft belanghebbende in haar verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over de maand maart 1992 op de voet van artikel 27, lid 3, van de Wet aanspraak gemaakt op aftrek van voorbelasting van het in de afrekening voorkomende bedrag van ƒ 7,89. Belanghebbende maakte in het geding voor het Hof tevens aanspraak op aftrek van voorbelasting van het in de afrekening voorkomende bedrag van ƒ 2,47,--.

3.2. Het Hof heeft overwogen dat - het door A geproduceerde zaad is geproduceerd op grond van een door hem met belanghebbende gesloten vermeerderingscontract, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Verordening EEG II en in artikel 2, lid 2, onderdeel b, sub II, van de Verordening AKK; - gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 1, eerste alinea, alsmede de considerans van de Verordening EEG III, artikel 2 van de Verordening EEG II, en artikel 2 van de Verordening AKK, in een geval als het onderhavige waarin het zaad op grond van een vermeerderingscontract is geproduceerd, uitsluitend de vermeerderaar (in casu A) en niet (mede) de kweker/handelaar (in casu belanghebbende) degene is die met betrekking tot het geproduceerde zaad recht op zaaizaadsubsidie heeft en dat de aanwezigheid van een vermeerderingscontract een noodzakelijke voorwaarde is voor het door de vermeerderaar verkrijgen van dit recht op zaaizaadsubsidie; - dat A verplicht is op grond van het vermeerderingscontract al het door hem op grond van dat contract geproduceerde zaad (op) te leveren aan zijn wederpartij, de kweker/handelaar, in casu belanghebbende. Gelet op deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat tussen de toekenning van de hiervóór in 3.1.2 en 3.1.3 bedoelde zaaizaadsubsidie ad ƒ 46,95 aan A en de (op)levering van het onderhavige zaad door A aan belanghebbende een rechtstreeks verband bestaat.

3.3. Het middel strekt ten betoge dat de subsidie wordt verleend ter zake van de produktie en niet van de levering van het geproduceerde zaad, en verder dat de subsidie als het ware is te beschouwen als een zogenaamde doorlopende post.

3.4. Daargelaten of de subsidie wordt verleend ter zake van de produktie dan wel ter zake van de levering van het zaad, de subsidie behoort niet tot het door A aan belanghebbende ter zake van de levering van zaad van Westerwolds raaigras Promenade oogst 1991 in de zin van artikel 27, lid 3, van de Wet in rekening gebrachte bedrag. Op grond van de hiervóór in 3.1.2 genoemde verordeningen moet immers ervan worden uitgegaan dat de subsidie door het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten in feite is toegekend aan A. Belanghebbende heeft derhalve deze subsidie niet voor zichzelf doch voor A ontvangen, zodat - evenals in de situatie dat de subsidie rechtstreeks door het Hoofdproduktschap aan A zou zijn uitbetaald - niet kan worden gezegd dat de subsidie aan belanghebbende in rekening is gebracht in de zin van artikel 27, lid 3, van de Wet. Dit brengt mee dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de forfaitaire aftrek als bedoeld in dat artikel. Het tegen 's Hofs oordeel gerichte middel is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De beschikking van de Inspecteur dient te worden gehandhaafd.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken ter zake van het geding in cassatie en het geding voor het Hof.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en handhaaft de beschikking van de Inspecteur.

Dit arrest is op 29 november 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.Nr. 30.788 Mr Van den Berge

Derde Kamer A Conclusie inzake:

Omzetbelasting 1992 de staatssecretaris van Financiën

Parket, 12 mei 1995 tegen: X B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop.

1.1. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 30 augustus 1994 nr. 1765/1992B.

1.2. De belanghebbende, X B.V., exploiteert een kweekbedrijf annex zaadhandel. Ten behoeve van de teelt van graszaden sluit zij teeltovereenkomsten af met landbouwers. Op basis van die overeenkomsten levert zij de landbouwers basiszaad, de landbouwers telen daarmee nieuw zaad dat zij weer leveren aan de belanghebbende.

1.3. Ter zake van de produktie van zaaizaad wordt een EG-subsidie verstrekt. De subsidie, die bestemd is voor de landbouwer/teler, wordt uitbetaald door het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten. Die uitbetaling loopt veelal via de handelaar/kweker.

1.4. In 1991 heeft de belanghebbende een overeenkomst voor de teelt van Westwolds raaigras Promenade gesloten met de landbouwer A. A verplichtte zich daarbij om aan de belanghebbende de oogst te leveren van op enkele hectaren uit te zaaien graszaad van dat ras. A zou van de belanghebbende ten minste f 150,- per 100 kg geleverd schoon en droog zaad ontvangen (exclusief BTW en EG-subsidie); een hogere opbrengst zou worden gedeeld.

1.5. In maart 1992 heeft de belanghebbende ter zake van de oplevering van 100 kg van dat zaad door A een afrekening opgemaakt, waarop zij, naast de afrekening voor die partij als zodanig, opnam:

"Zaaizaadsubsidie fl 46,95 bij: BTW-vergoeding 5,26% fl 2,47"

Die zaaizaadsubsidie is in april 1992 door het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten aan de belanghebbende uitbetaald.

1.6. De belanghebbende heeft het hoofd van de eenheid van de Belastingdienst particulieren/ondernemingen te P (hierna: de inspecteur) verzocht om teruggaaf van aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting over de maand maart 1992. Tegen de beschikking van de Inspecteur op dat verzoek heeft zij met toestemming van de Inspecteur op de voet van art. 26, lid 3 AWR (tekst 1992) beroep bij het Hof ingesteld, waarbij zij om teruggaaf verzocht van het bedrag van f 2,47, dat zij ter zake van de zaaizaadsubsidie op de afrekening van A vermeld had.

1.7. Het Hof verleende die teruggaaf, maar de staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tegen de uitspraak van het Hof tijdig en op de juiste wijze beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op één cassatiemiddel, dat een aantal klachten bevat.

1.8. Die klachten zijn namens de belanghebbende bij vertoogschrift bestreden.

2. Omzetbelasting en landbouwsubsidies.

2.1. In art. 11.A., lid 1 onder a, Zesde richtlijn worden tot de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting ook gerekend, de door een ondernemer ontvangen zgn. prijssubsidies. In mijn conclusie voor de bij Uw Raad aanhangige zaak nr. 30.301 heb ik dienaangaande gegevens vermeld. Ik voeg die als bijlage bij deze conclusie.

2.2. Mijn conclusie voor de bij Uw Raad onder nr. 30.217 aanhangige zaak bevat een beschouwing over de aftrekbaarheid

van de over een dergelijke prijssubsidie verschuldigde omzetbelasting bij de afnemer alsmede gegevens over de EG-verordeningen inzake de steun voor de produktie van zaaizaad van 26 oktober 1971, nr. 2358/71, nr. 1674/72 van 2 augustus 1972 en nr. 1686/72 van 2 augustus 1972. Een en ander neem ik eveneens in die bijlage op.

3. De bestreden uitspraak.

3.1. Het Hof heeft vastgesteld (r.o. 2) dat niet in geschil was dat Broekman de geleverde partij zaad had geproduceerd op grond van een vermeerderingscontract als bedoeld in de EG-verordening nr. 1674/72 van 2 augustus 1972. Een dergelijk vermeerderingscontract was volgens het Hof een noodzakelijke voorwaarde voor het verkrijgen van de EG-subsidie (r.o. 3, slot). Na verder in aanmerking te hebben genomen dat Broekman verplicht was al het op grond van dat contract te produceren zaad aan de belanghebbende te leveren, heeft het Hof beslist dat er een rechtstreeks verband bestond tussen de toekenning van de subsidie en de oplevering van het zaad.

3.2. Aangezien partijen van mening waren dat in dat geval het gelijk aan de zijde van de belanghebbende was, heeft het Hof vervolgens dienovereenkomstig beslist ( r.o. 6 en 7).

4. Beoordeling van het middel.

4.1. In het middel wordt betoogd dat het Hof te veel betekenis heeft gehecht aan het vermeerderingscontract. De subsidie zou uitsluitend de produktie van het zaad betreffen en dat contract zou slechts een controle-functie hebben.

4.2. Die mening deel ik niet. De onderhavige subsidieregeling is getroffen in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten in de EG-landen in de sector zaaizaad. Bezien tegen die achtergrond is het logisch dat de landbouwer/teler slechts subsidie krijgt voor zaad dat bestemd is voor de verkoop. Het vermeerderingscontract garandeert dat.

4.2. Dat ook een handelaar of kweker die zelf zaad produceert subsidie kan ontvangen, doet daaraan niet af. Ook het door de handelaar of kweker zelf geproduceerde zaad zal voor de verkoop bestemd zijn. Bovendien kan een dergelijke handelaar/kweker die zelf teelt moeilijk worden achtergesteld bij een landbouwer/teler: dat zou een discriminatie tussen producenten teweeg brengen, die door art. 40, lid 3 van het EG-Verdrag wordt verboden.

4.3. Het Hof heeft het vermeerderingscontract terecht beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde voor het verkrijgen

van de subsidie. Daarmee is het rechtstreekse verband tussen de subsidie en de op basis van het vermeerderingscontract verrichte levering van het zaad gegeven. Derhalve faalt het middel.

5. Beschouwing ambtshalve.

5.1. De door de belanghebbende verlangde aftrek van voorbelasting kan slechts worden verleend indien de onderhavige subsidie moet worden beschouwd als een prijssubsidie als bedoeld in art. 11.A, lid 1 onder a van de Zesde richtlijn. Het Hof heeft daartoe - met partijen - kennelijk voldoende geacht dat tussen de toekenning van de subsidie en de levering van het zaad een rechtstreeks verband bestaat en dat de subsidie - qua omvang -

is afgestemd op de hoeveelheid geproduceerd en geleverd zaad.

5.2. De richtlijnbepaling eist echter uitdrukkelijk een rechtstreekse relatie tussen de subsidie en de prijs van de verrichte prestatie.

5.3. Het karakter van de onderhavige subsidie brengt echter mee dat die relatie aanwezig moet worden geacht (zie de bijlage, onderdeel 3, paragrafen 3.8 t/m 3.11).

6. Conclusie.

Het middel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden