Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1683

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-09-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
27927
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/4 met annotatie van Hoogendoorn
FED 1995/690
FED 1995/808
WFR 1995/1365, 1
V-N 1995/3297, 13 met annotatie van Redactie
NV 1995, 109
AA19960131 met annotatie van J.W. Zwemmer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 februari 1991 betreffende na te melden uitspraak als bedoeld in artikel 32 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de heffing van vennootschapsbelasting over het jaar 1984.

1. Uitspraak van de Inspecteur en geding voor het Hof De Inspecteur heeft met machtiging van de Staatssecretaris van Financiën bij uitspraak van 21 december 1987 besloten voor de heffing van de vennootschapsbelasting over het jaar 1984 ten laste van belanghebbende geen rekening te houden met de creatie van de schuldverhouding tussen belanghebbende en Y te Q, voortvloeiende uit de op 21 november 1983 plaatsgevonden hebbende overdracht van alle aandelen in A N.V. te Z door Y aan belanghebbende.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.A. Mackaaij, advocaat te Amsterdam. De Advocaat-Generaal Verburg heeft op 23 november 1993 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de uitspraak van de Inspecteur.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende is in 1983 opgericht door de vereniging Y. Bij oprichting werd een aandelenkapitaal van ƒ 3.000.000,-- geplaatst. De aandelen werden door Y volgestort door inbreng van alle aandelen in haar dochtervennootschap A N.V. (hierna: A), onder creditering van de meerwaarde boven ƒ 3.000.000,--, welke ƒ 11.505.965,-- bedroeg, tegen een rente van 8% per jaar.

3.1.2. Ten tijde van de inbreng vormde A te zamen met haar beide dochtervennootschappen B B.V. en C B.V. een fiscale eenheid voor de heffing van de vennootschapsbelasting. 3.1.3. Met ingang van 1 januari 1984 vormt belanghebbende met haar dochtervennootschap en beide dochtervennootschappen daarvan een fiscale eenheid voor de heffing van de vennootschapsbelasting. 3.1.4. Y is een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging, die, naar het eenstemmig oordeel van partijen, niet is onderworpen aan vennootschapsbelasting.

3.2.1. Het Hof heeft vastgesteld dat de schuldigerkenning geen wijziging heeft gebracht in de feitelijke machtsverhoudingen. Onderdeel a van middel 2 acht deze vaststelling onbegrijpelijk, nu toch een wijziging is gekomen in de machtsverhouding in dier voege dat Y - de aandeelhoudster - een vastomlijnde en zeer substantiële rentedragende vordering heeft gekregen in plaats van uitsluitend aandelen (met een jaarlijks "over een komen" dividend). Het onderdeel faalt. In 's Hofs vaststelling ligt besloten dat de omzetting van een rechtstreeks belang in een middellijk belang plus een rentedragende vordering, in de feitelijke verhoudingen voor Y geen wezenlijke verandering heeft gebracht voor wat betreft vermogenspositie, belang en/of zeggenschap. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

3.2.2. Het Hof heeft voorts overwogen dat de totstandkoming van de rentedragende schuld van belanghebbende aan Y niet samenhing met het aantrekken van middelen tot financiering van belanghebbendes, binnen de fiscale eenheid uitgeoefende, onderneming. Onderdeel b van middel 2 bestrijdt dit oordeel, waartoe het betoogt: dat de reorganisatie, zoals deze hiervóór in 3.1 is weergegeven, plaatsvond met het oog op de uitbreiding van werkzaamheden, die slechts gepaard zou kunnen gaan met het doen van substantiële investeringen; dat door de inbreng in belanghebbende van de aandelen in de dochtervennootschap, waarbij een gedeelte van de waarde van het ingebrachte schuldig werd gebleven, werd bereikt dat de financiële middelen ter beschikking bleven voor de uitbouw van de activiteiten; dat derhalve de rentedragende lening diende ter financiering van de onderneming van de in het kader van de herstructurering opgerichte holdingmaatschappij, zijnde belanghebbende. Het Hof heeft met zijn oordeel kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de omzetting van het rechtstreekse belang van Y in de dochtervennootschap in een middellijk belang in die vennootschap en een schuldvordering op belanghebbende, niet meebracht dat de dochtervennootschap middelen verkreeg ter financiering van de door haar uitgeoefende onderneming. Het onderdeel berust derhalve op een verkeerde lezing van 's Hofs uitspraak, zodat het feitelijke grondslag mist.

3.2.3. Het Hof heeft overwogen dat het creëren van de onderhavige schuldverhouding aan het bereiken van de in rechtsoverweging 4.2 van zijn uitspraak omschreven met de reorganisatie beoogde doelstellingen op geen enkele wijze kon bijdragen. Onderdeel c van middel 2 bestrijdt deze overweging op feitelijke gronden, en voert tevens aan dat in zijn algemeenheid niet duidelijk is waarom aan het bereiken van de herstructurering de schuldverhouding niet zou bijdragen, doch, naar het Hof kennelijk van oordeel is, uitgifte van aandelen wel. 's Hofs overweging dient klaarblijkelijk aldus te worden verstaan, dat verschillende wegen openstonden om de met de herstructurering nagestreefde doeleinden te bereiken, en dat niet kan worden gezegd dat de door Y en belanghebbende daartoe gekozen weg, afgezien van de fiscale gevolgen, op enigerlei grond de voorkeur verdiende. Aldus heeft het Hof een oordeel gegeven dat van feitelijke aard is, en dat niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

3.2.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de heffing van vennootschapsbelasting door schuldigerkenningen als de onderhavige, zonder dat wijziging wordt gebracht in de zeggenschap en in het binnen de fiscale eenheid werkzame vermogen, willekeurig en bij voortduring zou kunnen worden verijdeld, indien toelaatbaar zou zijn dat een besloten vennootschap als belanghebbende, wier aandelen alle in handen zijn van een niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichaam, de rente op een schuld aan de aandeelhouder zonder enige restrictie zou kunnen aftrekken, terwijl tegenover de bedragen die als rente ten laste van de winst zouden worden gebracht, bij de aandeelhouder geen belastingheffing mogelijk zou zijn. Tegen dit oordeel keert zich onderdeel d van middel 2 in de eerste plaats met het betoog dat de herstructurering, naar het Hof heeft vastgesteld, zakelijk gefundeerd was, en bij belanghebbende leidde tot een binnen normaal te achten bedrijfseconomische grenzen liggende verhouding tussen het eigen vermogen en de onderhavige schuld, hetgeen meebrengt dat de uit de herstructurering voortvloeiende schuldverhouding niet kan veroorzaken dat de heffing van vennootschapsbelasting willekeurig en bij voortduring kan worden verijdeld. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. De omstandigheid dat een samenstel van rechtshandelingen, in zijn geheel bezien, strekt ter verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden, sluit niet uit dat daarin rechtshandelingen zijn begrepen die voor het bereiken van die doeleinden niet noodzakelijk zijn en die - indien zij voor de heffing van de vennootschapsbelasting zouden worden aanvaard - zouden leiden tot een willekeurige en voortdurende verijdeling van deze heffing. Ook een naar bedrijfseconomische maatstaven normale verhouding tussen eigen en vreemd vermogen brengt niet zonder meer mee dat met betrekking tot de verschuldigde rente geen sprake kan zijn van een willekeurige verijdeling van de heffing.

3.2.5. Onderdeel d van middel 2 voor het overige, en middel 1 strekken ten betoge: dat Y, naar het Hof heeft vastgesteld, een meer dan bijkomstig zakelijk motief had om voor de A-groep een structuur tot stand te brengen waarin, onder een nieuw op te richten vennootschap als holding, de verschillende werkmaatschappijen als van elkaar onafhankelijke zustervennootschappen zouden gaan functioneren en waarin het schadeverzekeringsbedrijf binnen dezelfde vennootschap als voorheen, A, als één van de werkmaatschappijen zou kunnen worden uitgeoefend; dat het Hof enerzijds heeft overwogen dat het belanghebbende in beginsel vrijstond de fiscaal meest voordelige weg te kiezen, doch anderzijds dat de herstructurering niet zonder fiscale beperking in iedere gewenste vorm kon worden gegoten; dat het Hof het recht heeft geschonden door, na te hebben geconcludeerd tot de aanvaardbaarheid van de gewenste structuur en van de transactie alsmede tot vrijheid van keuze, desondanks een fiscale beperking aan te brengen in de vrijheid van keuze; dat het Hof aldus ten onrechte heeft beslist dat Y en belanghebbende door het creëren van de onderhavige schuldverhouding hebben gehandeld in strijd met doel en strekking van de Wet; dat niet valt in te zien waarom belanghebbende in de keuze van haar financiering beperkt zou moeten worden enkel op grond van het feit dat haar aandeelhoudster niet aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen.

3.2.6. De door de creatie van de schuldverhouding tussen belanghebbende en Y ontstane rechtstoestand komt erop neer dat rente ten laste van de winst van A wordt gebracht ter zake van een schuld die niet door haar is aangegaan, terwijl de aldus ten laste van de aan de vennootschapsbelasting onderworpen winst gebrachte bedragen door tussenkomst van belanghebbende toevloeien aan Y en, aangezien deze niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting is onderworpen, aldaar niet tot enige belastingheffing leiden. De omstandigheid dat de rente in feite ten laste van de winst van A wordt gebracht, hoewel deze zelf geen rente verschuldigd is, berust op de werking van artikel 15 van de Wet, welk artikel onder meer beoogt de zogenoemde horizontale compensatie van winsten en verliezen van een vennootschap met die van een dochtervennootschap mogelijk te maken. Doel en strekking van deze bepaling verzetten zich in beginsel niet tegen een zodanige compensatie indien, zoals in het onderhavige geval, het verlies van een houdstervennootschap voortvloeit uit de verschuldigdheid van rente voor een schuld aan degene die behalve haar schuldeiseres ook haar aandeelhoudster is. Compensatie als hiervóór bedoeld is evenwel niet verenigbaar met doel en strekking van de Wet indien de rente toevloeit aan een lichaam dat niet aan de heffing van enige belasting van zijn winst of inkomsten is onderworpen, aangezien voormeld artikel 15 weliswaar bedoelt mogelijk te maken dat een houdstervennootschap en haar dochtervennootschap worden belast als vormden zij één lichaam, doch niet mede bedoelt de mogelijkheid te openen om een deel van de winst van een der vennootschappen geheel buiten het bereik van de belastingheffing te brengen.

3.2.7. In 's Hofs in rechtsoverweging 4.6.5 van zijn uitspraak neergelegde oordeel dat belanghebbende tot schuldigerkenning van het bedrag van ƒ 11.505.965,-- alleen is overgegaan op grond van de veronderstelling dat de jaarlijks te betalen c.q. bij te schrijven rente ten laste van de winst van de verzekeringsgroep zou kunnen worden gebracht en bij Y niet tot belastingheffing aanleiding zou geven, ligt besloten dat belanghebbende de onderhavige schuld is aangegaan met als doorslaggevende beweegreden de heffing van vennootschapsbelasting te verijdelen.

3.2.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 6 september 1995.