Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1670

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-08-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30.416
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1996/124 met annotatie van E. Aardema
FED 1995/638
FED 1996/33
WFR 1995/1232, 1
V-N 1995/3000, 22

Uitspraak

gewezen op de beroepen in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z en van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juni 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 30 juni 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 12,--, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, (tekst vóór 1 januari 1994) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de aanslag gehandhaafd en heeft daarbij tevens de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- uit hoofde van kosten voor haar gemachtigde, zulks onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer het cassatieberoep van de wederpartij bij vertoogschrift bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft omtrent het beroep in cassatie van de Staatssecretaris op 14 februari 1995 geconcludeerd tot verwerping van diens beroep.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met biologische gewasbescherming en met natuurlijke bestuiving. Zij produceert daarbij hommels, die harerzijds worden geleverd aan glastuinbouwbedrijven voor de bestuiving van tomaten, paprika's, fruit en dergelijke. Zij levert daartoe zogenoemde hommelkolonies in kasten, met medelevering van flesjes suikerwater, welke kasten dan worden geplaatst in de kassen waarin genoemde cultuurgewassen worden geteeld.

3.2. Voor het Hof was allereerst in geschil de betekenis van post a4, letter b, van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals deze post met ingang van 1 januari 1989 geldt. Wat dit betreft streden partijen over de vraag of deze post ook dieren als de onderhavige hommels omvat en of op grond daarvan de levering van zulke hommels ingevolge artikel 9, lid 2, letter a, van genoemde wet onder het verlaagde tarief valt. Het Hof heeft bedoelde vraag ontkennend beantwoord. Belanghebbendes cassatiemiddel is hiertegen gericht.

3.3. Volgens de tekst van genoemde post is in casu beslissend of de hommels kunnen worden aangemerkt als dieren die kennelijk zijn bestemd voor de voortbrenging of de produktie van voedingsmiddelen als bedoeld in post a1 van dezelfde tabel. De door het Hof vermelde wetsgeschiedenis leidt tot de gevolgtrekking dat, voor zover thans van belang, de wetgever hier uitsluitend het oog had op dieren die rechtstreeks voor de voortbrenging of de produktie van voedingsmiddelen zijn bestemd doordat zij ofwel zelf onmiddellijk voedsel voortbrengen ofwel in die zin aan de produktie van voedingsmiddelen bijdragen, dat zij zelf tot voedsel dienen, welk een en ander ook in de tekst van genoemde post voldoende duidelijk tot uitdrukking komt. Een dergelijke rechtstreekse bestemming bezitten de hommels van belanghebbende echter niet. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.4. Het beroep van de Staatssecretaris betreft de vraag of het Hof, hoewel de Inspecteur in het gelijk werd gesteld, terecht de Inspecteur in de proceskosten heeft veroordeeld. Diens middel betoogt dat, nu aan de zijde van de Inspecteur geen enkele verwijtbaarheid werd vastgesteld, deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat daarom bedoelde proceskostenveroordeling niet in stand kan blijven.

3.5. Aangezien de in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken neergelegde mogelijkheid om de inspecteur in de proceskosten te veroordelen, door de wet niet afhankelijk is gesteld van verwijtbaarheid aan diens zijde, kan ook dit middel niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht, wat het geding in cassatie betreft, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt zowel het beroep van belanghebbende als dat van de Staatssecretaris.

Dit arrest is op 24 augustus 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300.