Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1652

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30579
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/316
FED 1995/832
FED 1995/721
FED 1995/760
WFR 1995/1550
V-N 1995/3480, 5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 1994 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.978,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 49.981,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende, die in het kader van een vennootschap onder firma een veehouderij en kaasmakerij exploiteert, heeft te zamen met zijn medevennoot in 1990 een perceel grond verkocht aan de Gemeente Q voor de aanleg van een fietspad, voor de prijs van ƒ 16.325,--. Ten tijde van de verkoop bedroeg de boekwaarde ƒ 6.181,--. In het door een accountants en belastingadviesbureau opgestelde jaaroverzicht over het boekjaar 1989/1990, gedateerd 7 november 1990, is de hoogte van de winst ter zake van de verkoop van het perceel berekend door het verschil te nemen tussen de boekwaarde en de verkoopopbrengst, zijnde ƒ 10.144,--. In een door hetzelfde bureau op 21 oktober 1991 opgestelde berekening van belanghebbendes belastbare inkomen is een bedrag van ƒ 5.072,-- (de helft van ƒ 10.144,--) op de winst in mindering gebracht met als enkele vermelding "af: winst verkoop landbouwgronden ƒ 5.072,--". Beide opstellingen maken deel uit van belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar, die is ingediend vóór 1 januari 1992. De aanslagregelende ambtenaar, aan wie door een medewerker van meergemeld bureau was meegedeeld dat het perceel aan de Gemeente Q was verkocht ten behoeve van de aanleg van een fietspad, heeft het stand punt ingenomen dat de zogenoemde landbouwvrijstelling ter zake van die verkoop niet van toepassing was, op grond waarvan hij de aangegeven winst met ƒ 5.072,-- heeft verhoogd. Vervolgens heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de bijtelling ƒ 3.072,-- dient te bedragen (verkoopopbrengst ƒ 16.325,-- minus agrarische verkeerswaarde ƒ 10.181,--, aldus ƒ 6.144,-- en daarvan de helft).

3.2. Het Hof heeft belanghebbendes standpunt verworpen, volgens hetwelk de aangifte, zoals hij die op de hiervóór in 3.1 weergegeven wijze ter zake van de verkoop van het perceel had gedaan, niet alleen een verzoek om toepassing van de landbouwvrijstelling behelsde, doch mede een overeenkomstig artikel 70, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gedaan verzoek tot vaststelling van de bestemmingswijzigingswinst. Het Hof heeft voorts belanghebbendes beroep op vertrouwen, gewekt door de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 21 juni 1990, volgens welke brief een verzoek tot vaststelling van de bestemmingswijzigingswinst al kan worden geacht te zijn gedaan als in de aangifte op enigerlei wijze te kennen is gegeven dat toepassing van de landbouwvrijstelling op prijs wordt gesteld, afgewezen, op de grond dat de Staatssecretaris uit praktische overwegingen heeft toegezegd dat een verzoek tot vaststelling van de bestemmingswijzigingswinst mag worden verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting van het jaar waarin de desbetreffende bestemmingswijzigingswinst is gerealiseerd, en dat uit die toezegging niet valt af te leiden dat hij een meeromvattende toezegging heeft willen doen.

3.3. Voor zover de middelen zich keren tegen eerstvermeld oordeel met de stelling dat ieder verzoek om toepassing van de landbouwvrijstelling mede een verzoek om vaststelling van de bestemmingswijzigingswinst inhoudt, falen zij, daar een enkel beroep op de landbouwvrijstelling op de wijze zoals hiervóór in 3.1 is vermeld, niet kan worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 70, leden 2 en 3, van de wet op de inkomstenbelasting 1964. Voor zover de middelen betogen dat het Hof, in aanmerking nemend het beroep dat belanghebbende doet op het vertrouwensbeginsel, een verkeerde maatstaf heeft toegepast bij de uitlegging van de hiervóór in 3.2 vermelde brief en in het bijzonder van punt 15 daarvan, doordat het Hof daarbij is uitgegaan van hetgeen de Staatssecretaris kennelijk voor ogen heeft gestaan, zijn zij gegrond. In het geval dat een belastingplichtige een beroep op het vertrouwensbeginsel doet, dient als uitgangspunt te worden genomen hetgeen de belastingplichtige mocht opmaken uit de jegens hem gedane uitlating. Ook in zoverre kunnen de middelen evenwel niet tot cassatie leiden. Punt 15 van de genoemde brief van de Staatssecretaris houdt in

"Uit praktische overwegingen ontmoet het bij mij geen bezwaar indien het verzoek als bedoeld in artikel 70, derde lid, van de Wet wordt verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting van het jaar waarin de desbetreffende bestemmingswijzigingswinst is gerealiseerd, mits de aangifte en daarmede het verzoek vóór 1 januari 1992 bij de inspecteur is ingediend."

's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten immers geen andere gevolgtrekking toe dan dat in de onderhavige aangifte niet een zodanig verzoek is verwerkt.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 27 september 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.