Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1627

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30185
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 274 (oud), geldigheid: 1995-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2015/488
Belastingblad 1995/571
BNB 1995/270
FED 1995/512
FED 1995/626
WFR 1995/1015, 1
V-N 1995/2537, 33

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van het Hoofd van de Hoofdafdeling Middelen van de Gemeente Gennep tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 1993 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag bouwgrondbelasting van de gemeente Gennep.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is, als genothebbende krachtens zakelijk recht van de onroerende zaak b-straat 1 te Z een aanslag bouwgrondbelasting van de gemeente Gennep opgelegd ten bedrage van ƒ 34.578,--. De aanslag is na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de afdeling Financiën van de Gemeente Gennep, ingevolge een subsidiair door belanghebbende gedaan verzoek de belasting niet te heffen in de vorm van een heffing ineens maar in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende 10 jaren verminderd tot een aanslag ten bedrage van afgerond ƒ 5.153,--. Belanghebbende is van de uitspraak van voormeld Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Het Hoofd van de Hoofdafdeling Middelen (hierna: het Hoofd) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt hiervan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. Het Hoofd heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Sassen, advocaat te Arnhem.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De aan belanghebbende opgelegde aanslag bouwgrondbelasting berust op een verordening met de citeertitel "Bouwgrondbelasting D" (hierna: de Verordening). De Verordening is, na op 17 november 1987 te zijn gewijzigd, bij Koninklijk Besluit van 7 juli 1988 goedgekeurd en luidt, voor zover thans van belang:

Artikel 1. Voorwerp van de belasting. 1. Onder de naam "Bouwgrondbelasting bestemmingsplan A" wordt, in de vorm van een heffing ineens, een belasting geheven van de op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart met rood omlijnde onroerende goederen, welke geschikt of beter geschikt voor bebouwing worden dan wel zijn geworden of in een voordeliger positie komen dan wel zijn komen te verkeren door voorzieningen van openbaar nut welke door of met medewerking van de gemeente worden of zijn getroffen ten behoeve van het bestemmingsplan "A".

Het in dit artikel genoemde bestemmingsplan "A" is vastgesteld op 3 oktober 1983. 3.2. Het Hof heeft in zijn rechtsoverwegingen 4 tot en met 7 in onderlinge samenhang bezien geoordeeld dat de Verordening strijdig met artikel 274, eerste lid, van de Gemeentewet en derhalve onverbindend is indien en voorzover daarbij kosten worden omgeslagen welke zijn verbonden aan voorzieningen getroffen ter uitvoering van de, op hetzelfde plangebied betrekking hebbende onderscheidenlijk uit 1967 en 1976 daterende, bestemmingsplannen "B" en "D". Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd, dat in Artikel 1 van de Verordening onder "voorzieningen van openbaar nut welke door of met medewerking van de gemeente worden of zijn getroffen ten behoeve van het bestemmingsplan "A"" niet mede te verstaan zijn voorzieningen getroffen ter uitvoering van genoemde eerdere bestemmingsplannen. Dit laatste wordt in middel I onder meer als onjuist bestreden. 3.3. Op de voet van artikel 274, eerste lid, van de Gemeentewet te heffen bouwgrondbelasting strekt tot verhaal van kosten die zijn verbonden aan door of met medewerking van het gemeentebestuur getroffen voorzieningen van openbaar nut waardoor onroerende zaken geschikt of beter geschikt zijn geworden voor bebouwing of in een voordeliger positie zijn komen te verkeren. 3.4. In het licht van deze strekking van bouwgrondbelasting is niet voor misverstand vatbaar dat indien ter aanduiding van de hier bedoelde voorzieningen in de desbetreffende verordening is vermeld dat deze worden of zijn getroffen ten behoeve van een met name in de verordening genoemd bestemmingsplan, met die vermelding is bedoeld dat de verordening strekt tot verhaal van kosten van voorzieningen die worden of zijn getroffen met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van het betrokken bestemmingsplan, zoals het totstandbrengen van een woon- wijk. 3.5. Indien het in de verordening genoemde bestemmingsplan in de plaats is gekomen van een bestemmingsplan dat niet alleen dezelfde of nagenoeg dezelfde doelstelling had maar ook hetzelfde of nagenoeg hetzelfde plangebied omvatte en indien voorts die doelstelling ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan nog niet was verwezenlijkt voor wat betreft de daaraan door de betrokken gemeente te verlenen medewerking in de vorm van het treffen van voorzieningen van openbaar nut, valt niet in te zien dat aan de verwijzing in de verordening naar het daar genoemde bestemmingsplan een andere dan de in 3.4 bedoelde betekenis moet worden toegekend en daarmee zou zijn bedoeld dat de verordening slechts strekt tot verhaal van de kosten van voorzieningen gemaakt sedert de inwerkingtreding van het nieuwe plan. 3.6. Dit is anders indien bestemmingsplannen die naar doelstelling en plangebied overeenstemmen, overigens in die mate van elkaar verschillen dat de onder de gelding van het ene bestemmingsplan getroffen voorzieningen een zo geringe samenhang vertonen met die welke zijn getroffen na de inwerkingtreding van het andere plan, dat tot verhaal van de kosten van die voorzieningen niet kan worden volstaan met de heffing van één bouwgrondbelasting. 3.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat voor zover in het middel onder I wordt geklaagd over de uitleg die het Hof heeft gegeven aan de verwijzing in artikel 1 van de Verordening naar het bestemmingsplan "A", het middel gegrond is. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen in verband met hetgeen in 3.6 is overwogen en - voor zover nodig - ter beoordeling van de door het Hof niet behandelde klachten van belanghebbende. 3.8. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling meer.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor wat betreft de beslissing omtrent het griffierecht, en verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is op 28 juni 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, en op die datum in het openbaar uitgesproken.