Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1625

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30126
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/212
FED 1995/551
FED 1995/462
WFR 1995/877
V-N 1995/2165, 22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 januari 1994 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 125.542,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. De klachten onder 1 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de "Stichting Michaelische School voor geneeskunst" (hierna: Stichting) niet is een instelling die het algemeen nut beoogt in de zin van artikel 47, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Daartoe heeft het Hof redengevend geoordeeld dat de stichting primair is gericht op de behartiging van de belangen van de groep personen die zich verwant voelen met een werkwijze als omschreven in lid 4 van artikel 2 van de door het Hof in zijn uitspraak weergegeven statuten van de stichting en de omstandigheid dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de feitelijke werkzaamheden van de stichting in betekenende mate zijn gericht op personen die niet behoren tot die groep. Tegen deze redengeving keren zich de klachten onder 2. 3.3. Artikel 2, lid 4, van de statuten moet worden gelezen in onderling verband en samenhang met de leden 1 - 3 van die bepaling. De leden 1 - 4 laten dan geen andere gevolgtrekking toe dan dat de stichting zich ten doel stelt een school op levensbeschouwelijke grondslag in stand te houden, waarbij met de aldaar bedoelde "mensen" kennelijk zijn bedoeld het bestuur van de stichting en de leerkrachten. Voor zover 's Hofs redengeving inhoudt dat het statutaire doel van de stichting primair is gericht op de belangen van het bestuur van de stichting en van de aangestelde leerkrachten, is die redengeving zonder nadere motivering, die door het Hof niet is gegeven, onbegrijpelijk. Mocht 's Hofs redengeving teruggaan op de - onjuiste - opvatting dat de enkele omstandigheid dat een stichting die een onderwijsinstelling op levensbeschouwelijke basis in stand wil houden, daartoe bestuursleden en leerkrachten met die levensovertuiging zoekt, reeds meebrengt dat niet sprake is van een algemeen nut beogende instelling als in 3.1 bedoeld dan kan 's Hofs redengeving niet als juist worden aanvaard. De klachten onder 2 zijn in zoverre gegrond en behoeven voor het overige geen behandeling meer. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met in achtneming van dit arrest en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.

Dit arrest is op 7 juni 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, en op die datum in het openbaar uitgesproken.