Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1591

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29249
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:AA1591
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/334
FED 1995/398
FED 1995/619
WFR 1995/737
V-N 1995/1764, 21
NV 1995, 74

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 oktober 1992 betreffende de haar voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de vermogensbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van ƒ 14.721.000,--. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. 2.3. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 11 januari 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende was op 1 januari 1989 houdster van een aantal aandelen welke tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behoorden. Op 394 van die aandelen was een recht van vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van een stichting. De in artikel 4, lid 4, aanhef en letter c, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: de Wet) bedoelde inkomstenbelasting beliep voor wat betreft deze 394 aandelen een bedrag van ƒ 1.085.733,--. Tussen partijen is in geschil de vraag of belanghebbende als bloot eigenaar dit bedrag aan latente inkomstenbelasting op de voet van genoemde wetsbepaling als schuld in aanmerking mag nemen. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Hiertegen richten zich de middelen. 3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6 van de Wet worden vorenbedoelde 394 aandelen voor de heffing van de vermogensbelasting aangemerkt als bezittingen van de vruchtgebruiker en zijn zij derhalve - voor wat betreft de toepassing van de Wet op de vermogensbelasting 1964 - niet begrepen in het vermogen van belanghebbende. Naar de tekst van artikel 4, lid 4, aanhef en letter c, van de Wet verhindert dit om voormeld bedrag aan latente inkomstenbelasting bij belanghebbende tot haar schulden te rekenen. De middelen stellen aan de orde de vraag of belanghebbende niettemin recht heeft op aftrek van deze latente belastingschuld. 3.3. Op grond van de in 2.1 tot en met 2.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de wetgever ten einde te voorkomen dat enig bedrag twee keer zou worden vrijgesteld de op de belastingplichtige drukkende latente inkomstenbelastingschulden ter zake van de in artikel 4, lid 4, van de Wet bedoelde bezittingen niet als schulden in aanmerking heeft willen nemen indien en voor zover die bezittingen of de waarde daarvan zijn vrijgesteld van de heffing van de vermogensbelasting en dat hij die bedoeling tot uitdrukking heeft gebracht door in artikel 4, lid 4, letters a, b en c, van de Wet telkens op te nemen de woorden "in het vermogen begrepen". 3.4. De door de wetgever niet gewilde cumulatie kan zich echter niet voordoen wanneer in de gevallen waarin de in artikel 4, lid 4, letter c, van de Wet bedoelde aandelen en andere waardepapieren met vruchtgebruik zijn belast, de te dier zake verschuldigde inkomstenbelasting als schuld in aanmerking zou worden genomen. 3.5. Immers, de vruchtgebruiker heeft enerzijds geen recht op de vrijstelling van artikel 7, lid 3, letter c, omdat de aandelen voor hem niet tot een aanmerkelijk belang behoren (Hoge Raad 26 januari 1994, nr. 29 644, BNB 1994/99) en hij is anderzijds te dier zake geen inkomstenbelasting verschuldigd omdat bij vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende, met vruchtgebruik belaste aandelen de op de voet van artikel 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verschuldigde inkomstenbelasting niet van de vruchtgebruiker wordt geheven (Hoge Raad 21 december 1966, nr. 15 635, BNB 1967/69), terwijl de bloot eigenaar geen recht op de vrijstelling van artikel 7, lid 3, letter c, van de Wet heeft omdat door de werking van artikel 6 de aandelen niet tot zijn vermogen behoren. 3.6. Onverkorte, letterlijke toepassing van artikel 4, lid 4, letter c, van de Wet brengt dan ook mee dat in een geval als het onderhavige als gevolg van de opneming in deze wetsbepaling bij de Wet van 24 april 1986, Stb. 248, van de woorden "in het vermogen begrepen" de inkomstenbelastingschuld, niettegenstaande het bestaan daarvan, niet in aanmerking kan worden genomen, zulks terwijl blijkens het in 3.4 en 3.5 overwogene de situatie met het oog waarop de wetgever als voormeld die woorden in artikel 4, lid 4, letter c, heeft opgenomen, zich hier niet voordoet. Daarbij komt nog dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 april 1986, Stb. 248, niet blijkt dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat in geval van vruchtgebruik van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, bij letterlijke toepassing van de wet, niettegenstaande het bestaan van een latente inkomstenbelastingschuld, het recht op aftrek daarvan verloren gaat ook als daartegenover niet een recht op vrijstelling staat. 3.7. Ondanks het vorenstaande vindt de Hoge Raad echter geen vrijheid af te wijken van hetgeen de letterlijke toepassing van artikel 4, lid 4, letter c, vereist. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 3 mei 1995.Nr. 29.249 Mr Moltmaker

Derde Kamer B Conclusie inzake:

Vermogensbelasting 1989 X tegen:

Parket, 11 januari 1995 De Staatssecretaris van Financiën

Edelhoogachtbaar College,

I. . Feiten en geschil

A. . Voor de feiten verwijs ik in de eerste plaats naar de uitspraak van het hof.

B. . Belanghebbende bezat 600 (certificaten van) aandelen N.V. A te Q. Deze aandelen vormden bij haar een (aflopend) aanmerkelijk belang in de zin van art. 39 Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964). Van 394 van deze aandelen was belanghebbende slechts de hoofdgerechtigde ; het vruchtgebruik berustte bij een stichting.

C. . In geschil is of belanghebbende ter zake van laatstgenoemde aandelen aanspraak heeft op aftrek van de latente inkomstenbelastingschuld op de voet van art. 4, lid 4, aanhef en onder c en lid 5, aanhef en onder c, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (Wet VB 1964). Indien dat zo zou zijn, bedraagt, naar niet in geschil is, op grond van art. 4, lid 5, letter c, Wet VB 1964, de aftrek 5% van het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van het met vruchtgebruik bezwaarde hoofdrecht van bedoelde aandelen (ƒ 22.108.670) en de verkrijgingsprijs daarvan (ƒ 394.000) of ƒ 1.085.733.

D. . In zijn uitspraak van 14 oktober 1992, nr. 396/91, heeft het hof overwogen:

"5.1. Ingevolge artikel 4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet, voor zover te dezen van belang, wordt tot de schulden mede gerekend de inkomstenbelasting welke na het begin van het kalenderjaar verschuldigd kan worden ter zake van in het vermogen begrepen aandelen welke tot een aanmerkelijk belang behoren in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Deze bepaling mist toepassing met betrekking tot de 394 aandelen in de N.V. waarvan belanghebbende de blote eigendom bezit, aangezien die aandelen op grond van artikel 6 van de Wet (tekst 1989) niet in haar vermogen zijn begrepen. In de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden op grond waarvan de hiervoor weergegeven wetsbepaling in afwijking van haar tekst te dezen niettemin toepassing zou moeten vinden. ...

5.2. De enkele omstandigheid dat belanghebbende bij vervreemding van de blote eigendom van de in geding zijnde aandelen inkomstenbelasting verschuldigd kan worden rechtvaardigt niet dat ter zake enig bedrag als schuld in aftrek wordt toegelaten. Niet elke fiscale claim welke de draagkracht van de belastingplichtige nadelig beïnvloedt leidt immers tot zodanige aftrek, doch slechts de in artikel 4, vierde lid, van de Wet limitatief opgesomde fiscale claims."

E. . De uitspraak van het hof is vermeld in Infobulletin 92/767 en in De Vakstudie Vermogensbelasting, aant. 112 op art. 4.

F. . Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van een cassatiemiddel, waarin erover wordt geklaagd dat het hof art. 4 Wet VB 1964 heeft geschonden althans verkeerd heeft toegepast door bij het bepalen van belanghebbendes belastbaar vermogen geen aftrek toe te laten wegens de latente inkomstenbelastingschuld met betrekking tot de door belanghebbende als hoofdgerechtigde bezeten aandelen.

G. . De Staatssecretaris heeft een vertoogschrift ingediend.

II. . Wet en wetsgeschiedenis

A. . Sinds de Wet op de vermogensbelasting 1964, Stb. 1964, 520, wordt er "gelet op de economische realiteit" in de vermogensbelasting in bepaalde gevallen rekening gehouden met latente inkomstenbelastingschulden. De gevallen waarin de latente inkomstenbelasting als schuld in de zin van (thans) art. 4, lid 3, Wet VB 1964 kan gelden, zijn limitatief opgesomd in art. 4, lid 4, Wet VB 1964. Zie § 5, derde lid, van de Korte toelichting op de vermogensbelasting 1964 (Resolutie van 13 april 1964, no. B5/5978, V-N 1965, blz. 329, Vakstudie Vermogensbelasting bijlage I):

"Nieuw is de afbakening van het begrip schulden met betrekking tot bepaalde latente inkomstenbelastingschulden. Het derde lid geeft een limitatieve omschrijving van de gevallen waarvoor de aftrekregeling geldt, te weten voor:

- de reserves begrepen in het vermogen van een onderneming van de belastingplichtige;

- tot het privé-vermogen behorende stamrechten; en

- aandelen en winstbewijzen behorende tot een aanmerkelijk belang.

(...)

De begrippen stamrecht en aanmerkelijk belang moeten worden opgevat in de zin van respectievelijk de artikelen 32 en 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Wat de latente inkomstenbelasting bij stamrechten aangaat zij erop gewezen dat de aftrek alleen mag worden toegepast op de waarde van de in het vermogen begrepen - niet vrijgestelde - stamrechten."

B.. Sinds de Wet tot wijziging van de vermogensbelasting (Wet van 17 december 1980, Stb. 685), luidde art. 4, lid 4, Wet VB 1964, tot 1 januari 1985:

Tot de schulden worden mede gerekend de inkomstenbelasting welke de belastingplichtige na het begin van het kalenderjaar verschuldigd kan worden ter zake van:

a. in het vermogen van een onderneming van de belastingplichtige begrepen reserves, alsmede afnemingen van de oudedagsreserve in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519);

b. termijnen van in het vermogen begrepen, doch niet tot het vermogen van een onderneming behorende, rechten welke periodieke opbrengsten opleveren (stamrechten);

c. aandelen, winstbewijzen en bewijzen van deelgerechtigdheid welke tot een aanmerkelijk belang behoren in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

C. . De regeling in de art. 4, leden 4 en 5, Wet VB 1964 werd getroffen om ongewenste cumulatie van de ondernemingsvrijstelling met de aftrek van latente belastingschulden te voorkomen. Naar in de MvT (Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 905, nr. 3, blz. 25/26) werd opgemerkt, kon het zich voordoen dat het ondernemingsvermogen door de werking van de ondernemingsvrijstelling geheel of nagenoeg geheel voor de belastingheffing buiten beschouwing bleef, terwijl ter zake van de in het vrijgestelde ondernemingsvermogen begrepen stille reserves of fiscale oudedagsreserve nog een aftrek plaats had voor latente belastingschulden. De MvT vervolgde t.a.p.:

"Het bezit van een ondernemingsvermogen kon derhalve leiden tot een voor de vermogensbelasting in aanmerking te nemen negatief bedrag. Dit komt ons niet redelijk voor.

(....) Nu de ondernemingsvrijstelling wordt uitgebouwd, dient naar ons oordeel op dit punt een regeling te worden getroffen.

Voorgesteld wordt de aftrek voor latente belastingschulden ter zake van stille reserve en fiscale oudedagsreserve naar verhouding toe te rekenen aan de toegekende ondernemingsvrijstelling. In artikel 4, in de tot vierde en vijfde lid vernummerde leden, is een nieuwe regeling opgenomen, waaronder een formule. Hiermede wordt beoogd dat er alleen een aftrek voor latente belastingschuld (die betrekking heeft op stille reserves en fiscale oudedagsreserve) plaatsvindt voor zover deze reserves en de fiscale oudedagsreserve tot het belaste vermogen voor de vermogensbelasting behoren."

D. . In het VV (stuk nr. 5, blz. 22) werd de vraag gesteld, of aan de voorgestelde regeling met betrekking tot de belastinglatenties geen bredere werkingssfeer moest worden gegeven, zodat bijvoorbeeld ook degene die gerechtigd is tot een met vruchtgebruik bezwaard hoofdrecht geen aftrek wegens belastinglatentie kan claimen. In de MvA (stuk nr. 6, blz. 31) werd hierover opgemerkt:

" (...) dat de blote eigenaar niet in aanmerking komt voor de ondernemingsvrijstelling. Zijn ondernemingsvermogen wordt immers voor de heffing buiten aanmerking gelaten. Er is derhalve geen reden op dit punt een nadere regeling te scheppen, nu de voorgestelde regeling slechts betrekking heeft op de samenloop van ondernemingsvrijstelling en aftrek van latente belastingschulden. Overigens merken wij op dat hier slechts sprake is van een gering belang. De belastinglatentie kan immers door de blote eigenaar slechts in aanmerking worden genomen voor de blote eigendomswaarde. Het deel dat dan in aftrek kan worden gebracht vertegenwoordigt een reële, zij het latente, schuld."

E. . In de MvT van de Wet van 24 april 1986 tot uitbreiding van de ondernemingsvrijstelling in de vermogensbelasting, Stb. 1986,248 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18 862, nr. 3, blz. 7), werd gezegd:

"De uitbreiding van de ondernemingsvrijstelling tot de houder van een aanmerkelijk belang maakt een aanpassing van artikel 4, vierde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 noodzakelijk. Hierin wordt bepaald dat de met betrekking tot een aanmerkelijk belang in de toekomst mogelijk verschuldigde inkomstenbelasting voor de heffing van de vermogensbelasting als een schuld wordt beschouwd. Blijft nu de waarde of een gedeelte van de waarde van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen bij de heffing van de vermogensbelasting buiten aanmerking, dan ligt het voor de hand, dat ook met de over die waarde mogelijk verschuldigde inkomstenbelasting geen rekening wordt gehouden. Anders zou dit bedrag twee keer worden vrijgesteld. Dit gebeurt door in artikel 4, vierde lid, onderdeel c, voor te schrijven dat het moet gaan om in het vermogen begrepen aandelen."

In aansluiting hierop oordeelde Uw Raad bij arrest van 31 oktober 1990, BNB 1991/33 (rov. 4.1.):

"Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 april 1986, Staatsblad 248, waarbij in artikel 4, lid 4, letter c, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 werden ingevoegd de woorden "in het vermogen begrepen" stond daarbij aan de wetgever voor ogen te vermijden dat ingevolge artikel 4, lid 4, tevens tot de schulden wordt gerekend de inkomstenbelasting welke verschuldigd kan worden ter zake van tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behorende aandelen, winstbewijzen en bewijzen van deelgerechtigdheid voor zover de waarde daarvan is vrijgesteld op de voet van artikel 7, lid 3, letter c, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18 862, nummer 3, bladzijde 7)."

III. . Jurisprudentie en literatuur

A. . In de zaak die leidde tot HR 28 januari 1976, BNB 1976/213 m.nt. J. P. Scheltens, had het hof geoordeeld dat de gerechtigde tot een met vruchtgebruik bezwaard hoofdrecht van een pakket aanmerkelijk-belangaandelen op grond van art. 4, lid 3, aanhef, letter c en lid 4 van de Wet VB 1964 als schuld in aanmerking mocht nemen 5% van het bedrag waarmee de waarde van het pakket de verkrijgingsprijs daarvan overtrof. Dit oordeel werd door de Staatssecretaris in cassatie - tevergeefs - bestreden met het betoog dat het door het hof aangehaalde artikel niet van toepassing kon zijn, nu op grond van artikel 6 van de Wet VB 1964 ter zake van het hoofdrecht van het pakket niets in het vermogen van belanghebbende was begrepen. Uw Raad overwoog:

"dat deze bestrijding echter onjuist is, daar artikel 4, lid 3, aanhef en letter c van de Wet - anders dan letters a en b - niet bevat de zinsnede "in het vermogen begrepen" en de regeling van artikel 6 van de Wet niet wegneemt dat de draagkracht van belanghebbende nadelig wordt beïnvloed door het bestaan van de in artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, bedoelde latente fiscale claim, daar de blote eigenaar bij vervreemding de inkomstenbelasting ter zake van de winst uit aanmerkelijk belang verschuldigd is, zij het dat daarbij rekening moet worden gehouden met het bestaan van het zakelijk recht van vruchtgebruik;"

B. . Scheltens merkt in zijn annotatie onder dit arrest op:

"En zo doorkruisen de beide systemen elkaar: de latente inkomstenbelasting drukt op de blote eigenaar voor wie echter de blote eigendom buiten het belastbare vermogen blijft; de vruchtgebruiker wordt, behoudens een reductie van 20%, voor de volle eigendom belast maar op hem drukt geen latente inkomstenbelasting. Dit doorkruisen veroorzaakt de moeilijkheden.

Het argument, dat de aftrek niet mogelijk zou zijn, reeds omdat de blote eigendom der aandelen niet in het (fiscale) vermogen van de eigenaar begrepen zijn [lees: is, M.], acht ik zwak. Zou de aftrek zijn geconstrueerd als een waardecorrectie, dan zou het duidelijk zijn dat een correctie op een niet in het vermogen voorkomende waarde misplaatst zou zijn. Een dergelijke waardecorrectie heeft men echter zeer uitdrukkelijk niet gewild. Het algemene stelsel nu van de vermogensbelasting is, dat schulden mogen worden afgetrokken, ook al zouden zij samenhangen met niet belastbare vermogensbestanddelen. Enige latente belastingschulden heeft men met normale schulden willen gelijkstellen, waaronder die wegens a.b.-winst. Dan is er m.i. geen reden voor die schulden in een geval als het onderhavige van de algemene regel af te wijken en bij gebrek aan een belastbaar object in aftrek te weigeren. Men zou anders de toerekening aan de vruchtgebruiker laten doorwerken naar een gebied, waarvoor hij niet is bedoeld (...).

Het ontbreken in art. 4, lid 3, sub c, van de aanduiding, dat het a.b. in het vermogen begrepen zou moeten zijn, zegt mij derhalve weinig. Ik zie het ontbreken daarvan echter ook niet als een argument vóór de opvatting van de Hoge Raad. Men mag immers stellig aannemen dat de wetgever aan een situatie als de onderhavige niet heeft gedacht en daarom heeft het niet voorkomen van de bovenvermelde aanduiding voor mij slechts deze betekenis, dat de wet daardoor - en allerminst opzettelijk - aan de m.i. juiste opvatting geen tekstueel beletsel in de weg legt. Zo trouwens vermoedelijk ook de Hoge Raad, die wel wijst op het ontbreken van die aanduiding maar toch het ware argument ook hierin zoekt, dat de draagkracht nadelig wordt beïnvloed door het bestaan van een latentie."

C. . In De Vakstudie Vermogensbelasting, aant. 112 op art. 4, wordt naar aanleiding van evenvermeld arrest betoogd:

"De aldus luidende beslissing van de Hoge Raad in BNB 1976/213 was gebaseerd op het ontbreken van de zinsnede 'in het vermogen begrepen' in art. 4, vierde lid (voorheen: derde lid), onderdeel c. Met ingang van het jaar 1985 is die zinsnede wèl opgenomen, zulks in verband met de uitbreiding van de ondernemingsvrijstelling. Daarmede heeft BNB 1976/213 onzes inziens zijn betekenis verloren en kan de blote eigenaar de op hem als aanmerkelijk-belanghouder rustende inkomstenbelastingclaim thans niet meer aftrekken."

D. . C. Schaap, Latente belastingschuld ter zake van 'in het vermogen begrepen' aanmerkelijk-belangaandelen, WFR 1991/5958, blz. 559, schrijft:

"Aan de redengeving van de Hoge Raad is de eerste grond komen te ontvallen nu in art. 4, vierde lid, letter c, sedert 1985 uitdrukkelijk is opgenomen 'in het vermogen begrepen'. In het vermogen van de blote eigenaar is ter zake van de aanmerkelijk-belangaandelen niets begrepen.

De tweede door de Hoge Raad aangevoerde grond heeft zijn gelding behouden: bij vervreemding wordt de blote eigenaar inkomstenbelasting verschuldigd ter zake van winst uit aanmerkelijk belang (zij het beperkt tot de waarde van de blote eigendom van de vervreemdingswinst, zie HR 21 december 1966, BNB 1967/69).

Mijns inziens onderscheidt deze tweede grond zich echter niet van hetgeen hiervoor (...) is vermeld: de termijnen van een voor de vermogensbelasting vrijgesteld stamrecht worden wél in de heffing van inkomstenbelasting betrokken; niettemin kan te dier zake geen latente inkomstenbelastingschuld in aftrek worden gebracht.

Mijn conclusie luidt dan ook dat een blote eigenaar van aanmerkelijk-belangaandelen door de toevoeging van de woorden 'in het vermogen begrepen' aan art. 4, vierde lid, onderdeel c, geen enkele belastingclaim te dier zake meer in aftrek kan brengen."

E. . Ch. P. A. Geppaart, Vermogensbelasting, derde druk (1990), blz. 97/98, merkt op:

"De vraag rijst of het forfait kan worden toegepast wanneer op tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen een vruchtgebruik wordt gevestigd. Ten aanzien van de blote eigenaar, die door de toerekeningsregel van art. 6 is vrijgesteld, dient naar mijn mening te worden toegepast de hierboven geformuleerde regel dat het forfait niet geldt wanneer een vermogensbestanddeel niet tot het vermogen wordt gerekend. Voor de vruchtgebruiker geldt dat hem door art. 6 weliswaar de aandelen voor de vermogensbelasting worden toegerekend, maar daaruit volgt nog niet dat hij een aanmerkelijk belang bezit ter zake waarvan hij inkomstenbelasting verschuldigd kan worden. Het resultaat, dat noch de blote eigenaar, noch de vruchtgebruiker op aftrek aanspraak zou kunnen maken - een geval waaraan de wetgever kennelijk niet heeft gedacht - is niet bevredigend, maar zou passen in een stelsel van forfaitaire regelingen.

De Hoge Raad overwoog evenwel dat de draagkracht van de blote eigenaar ter zake van bij vervreemding van de aandelen verschuldigde inkomstenbelasting nadelig wordt beïnvloed en liet een aftrek toe ter zake van de blote eigendomswaarde van de aanmerkelijk-belangwinst. De vraag rijst of deze jurisprudentie nog geldt nu met de invoering van de ondernemingsvrijstelling voor aanmerkelijk-belangpakketten art. 4, lid 4, letter c, is gewijzigd in die zin dat is toegevoegd 'in het vermogen begrepen...'. Bij de bloot eigenaar is immers niets meer in het vermogen begrepen. In het voorgaande ligt besloten dat de rechtspraak de forfaitaire regeling vooralsnog zowel ten voordele als ten nadele van de belastingplichtige heeft verfijnd."

IV. . Beoordeling van het cassatiemiddel

A. . De twee belangrijkste argumenten die in de toelichting op het cassatiemiddel worden aangevoerd voor de stelling, dat ook onder de huidige tekst van art. 4 Wet VB 1964 in het onderhavige geval aftrek van de latente inkomstenbelasting mogelijk is, zijn:

a. dat (ook) op de hoofdgerechtigde tot een met vruchtgebruik bezwaard pakket aanmerkelijk-belangaandelen een latente inkomstenbelastingclaim rust die bij verkoop van de aandelen ten laste van de hoofdgerechtigde tot gelding komt en dus zijn draagkracht beïnvloedt;

b. dat de vruchtgebruiker wordt belast voor (80 % van) de waarde van de aandelen en dat als aftrek bij de hoofdgerechtigde niet mogelijk zou zijn, de situatie ontstaat, dat de waarde van de aandelen wel in de heffing van de vermogensbelasting wordt betrokken, doch niemand recht heeft op aftrek wegens de latente inkomstenbelasting.

B. . Voorop gesteld zij, dat naar de tekst van art. 4, vierde lid, aanhef en letter c, Wet VB 1964, zoals deze bepaling luidt sinds 1 januari 1985, aftrek niet mogelijk is. Een uitlegging in afwijking van deze tekst, zoals belanghebbende voorstaat, zou slechts in aanmerking komen indien zou blijken dat een met de tekst overeenstemmende uitleg in strijd zou zijn met doel en strekking van de bepaling en/of een redelijke wetstoepassing.

C. . In de laatste alinea van punt 5.4 van mijn conclusie voor HR 7 juni 1989, BNB 1989/238* m.nt. Laeijendecker, betoogde ik in algemene zin (met betrekking tot art. 20, vijfde en zesde lid, Successiewet 1956, ontleend aan art. 4 Wet VB 1964), dat ik geen redelijke grond zag voor aftrek van latente belasting over niet-belastbare bedragen. Naar het mij voorkomt heeft Uw Raad dit standpunt in bedoeld arrest (uiteraard voor het daar aan de orde zijnde geval) stilzwijgend onderschreven. Zie ook de laatste alinea van de noot van Laeijendecker in de BNB.

D. . De MvT, geciteerd in punt 2.5. hiervóór, noemt als argument, dat als naast de objectieve vrijstelling voor ondernemingsvermogen de latente belasting aftrekbaar zou zijn, het bedrag van die belasting twee keer zou worden vrijgesteld. Dit argument gaat op voor alle objectieve vrijstellingen (zoals die voor stamrechten, althans volgens de Korte toelichting VB, geciteerd in punt 2.1. hiervóór).

E. . In art. 6 Wet VB 1964 wordt het uitsluitend belasten van de vruchtgebruiker niet als een objectieve vrijstelling voor de hoofdgerechtigde geformuleerd. Niettemin bevat de bepaling in wezen een objectieve vrijstelling voor het hoofdrecht. De argumentatie van de MvT geldt dus evenzeer voor latente belasting ter zake van aanmerkelijk-belangaandelen.

F. . Naar het mij voorkomt geeft de wetsgeschiedenis geen duidelijk aanknopingspunt voor de opvatting, dat art. 4, vierde lid, aanhef en onder c, Wet VB 1964 een ruimere aftrekmogelijkheid inhoudt dan hetgeen uit de tekst en de systematiek van die bepaling - gelet op de gelijkluidende bewoordingen van de letters a en b - voortvloeit.

G. . Voorts zie ik niet in, dat een redelijke wetstoepassing zou dwingen tot een ruimere aftrekmogelijkheid voor aanmerkelijk-belangaandelen dan voor ondernemingsvermogen en stamrechten. Voor de laatstbedoelde gevallen (letters a en b) geldt het in punt 4.1. onder a vermelde argument evenzeer, terwijl de in punt 4.1. onder b vermelde situatie het gevolg is van de forfaitaire regeling van art. 6 Wet VB 1964.

V. . Conclusie

Het cassatiemiddel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden