Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1584

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30078
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 18, geldigheid: 1995-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 1995/4057
Belastingblad 1995/534
BNB 1995/253 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 1995/533
WFR 1995/920, 1

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 december 1993 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht opgelegd naar 14,1 vervuilingseenheden, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van Gedeputeerde Staten in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Gedeputeerde Staten hebben een vertoogschrift ingediend. Partijen hebben hun standpunt doen toelichten, belanghebbende door mr. A.M.J. Driessens-Kuijpers, advocaat te Wijk bij Duurstede, Gedeputeerde Staten door mr. R.L.H. Ijzerman, advocaat te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, een stichting, verleent met hulp van vrijwilligers in het onderhavige - als één geheel aan te merken - pand huisvesting en begeleiding aan personen die om uiteenlopende redenen tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen. Het betreft in de regel 10 tot 12 personen die gemiddeld een half jaar in het pand wonen. Deze personen verzorgen gezamenlijk, onder begeleiding van medewerkers van de stichting, de huishouding en gebruiken gezamenlijk de maaltijden. De kosten van de huishouding worden uit één budget betaald. Iedere bewoner is aan de stichting een geldelijke bijdrage verschuldigd ter zake van zijn verblijf in het pand. Zowel overdag als 's nachts zijn twee medewerkers in het pand aanwezig. 3.2. In geschil is of het in 3.1 vermelde pand als "woonruimte" dan wel als "bedrijfsruimte" moet worden aangemerkt in de zin van artikel 2, onder d, van de Verordening zuiveringsheffing provincie Utrecht.

3.3. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat in het pand geen afzonderlijke woon- ruimten aanwijsbaar zijn. Daarvan uitgaande heeft het Hof de vraag of het pand is aan te merken als woon- ruimte terecht ervan doen afhangen (HR 23 juli 1984, nr. 22.178, BNB 1984/282) of het pand ten dienste staat aan een gezin of een daarmee op één lijn staande leefeenheid. Die vraag heeft het Hof terecht ontkennend beantwoord. Het in 3.1 overwogene laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de bewoners van het onderhavige pand door de stichting en haar medewerkers dag en nacht worden opgevangen en begeleid en dat hun huisvesting onder verantwoordelijkheid van de stichting en haar medewerkers plaats vindt. Alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een woon- ruimte die ten dienste staat van een gezin of een daarmee gelijk te stellen leefeenheid. Het van een andere opvatting uitgaande middel onder A faalt derhalve. 3.4. Het middel onder B faalt eveneens. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 14 juni 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.