Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1580

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30144
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/235 met annotatie van Van Dijck
FED 1995/534
FED 1996/357
WFR 1995/920, 2
V-N 1995/2310, 17 met annotatie van Redactie
NV 1995, 73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 februari 1994 betreffende de hem voor het jaar 1984 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1984 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 3.006.893,-- waarvan ƒ 1.985.698,-- belast naar het bijzondere tarief als bedoeld in artikel 57, leden 4 en 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1984) en ƒ 538.190,-- naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.645.550,-- waarvan ƒ 2.523.888,-- is belast naar het tarief van artikel 57, lid 4. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. De middelen I en III kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu deze middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.2. Middel II richt zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende het in de betaling uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht begrepen rentebedrag niet op de voet van artikel 45, aanhef en letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als betaalde rente op zijn onzuiver inkomen in mindering kan brengen. 3.3. Het middel wordt tevergeefs voorgesteld. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt niet dat de betaling van het rentebedrag betrekking heeft op rente verschuldigd wegens vertraging in de betaling door belanghebbende als borg. In cassatie moet derhalve ervan worden uitgegaan dat belanghebbende rente voldaan heeft die reeds voordat hij door de schuldeiser tot betaling daarvan werd aangesproken door de hoofdschuldenaar E BV verschuldigd was. Die betaling betrof derhalve niet rente die als zodanig door belanghebbende jegens de schuldeiser verschuldigd is geworden en vormt daarom niet een persoonlijke verplichting als bedoeld in artikel 45, aanhef en letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, C en D krachtens een met Kempen en Co NV gesloten koopovereenkomst recht hadden op levering van 3/7 deel van 40.000 aandelen A van ƒ 10,-- nominaal in AB BV. Dit oordeel kan als zijnde van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. In zoverre faalt middel IV. Uitgaande van dit oordeel en in aanmerking genomen hetgeen het Hof overigens in 4.5 van zijn uitspraak - in cassatie onaantastbaar - heeft vastgesteld, heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat hier sprake is geweest van een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 39, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Middel IV faalt derhalve ook voor het overige.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 14 juni 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.