Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1566

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30418
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/196
FED 1995/401
FED 1995/477
WFR 1995/739, 1
V-N 1995/1754, 16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 mei 1994 betreffende de na te melden aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 105.991,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 104.442,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend en daarbij ook zelf een klacht tegen 's Hofs uitspraak aangevoerd. Op die klacht kan evenwel niet worden gelet omdat zij niet binnen de voor het instellen van beroep in cassatie gestelde termijn is aangevoerd.

3. Beoordeling van het middel en ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie. 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in het onderhavige jaar universitair hoofddocent. Hij is 2 à 3 maal per jaar lid van een promotiecommissie. Ingevolge het promotiereglement van de universiteit waar belanghebbende werkt, dienen de leden van de promotiecommissie die universitair hoofddocent zijn, tijdens een promotieplechtigheid te zijn gekleed in zwart jacquet. Belanghebbende heeft in zijn aangifte ter zake van de, uitsluitend met het oog op dat voorschrift gedane, aanschaf van een zwart jacquet een bedrag van ƒ 1.548,50 als aftrekbare kosten in aanmerking genomen. Daarnaast heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 242,-- ter zake van tijdens de werktijd genuttigde koffie en thee als aftrekbare kosten in aanmerking genomen. 3.2. De in 3.1 vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat het belanghebbende niet vrijstaat bij promotieplechtigheden in andere kleding dan in zwart jacquet te verschijnen. Hiervan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat het jacquet voor belanghebbende werkkleding in de zin van artikel 36, lid 1, letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1991) vormt. Immers, die kleding moet op één lijn worden gesteld met het tijdens hun werkzaamheden door een kelner of een musicus gedragen rokkostuum en welk rokkostuum blijkens de memorie van toelichting bij voormeld artikel van het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de Wet van 27 april 1989, Stb. 123 (kamerstukken II, 1988/89, 20873, nr. 3, blz. 27), moet worden aangemerkt als werkkleding in de zin van voormeld artikel. Het gaat bij de onderhavige kleding om kleding die weliswaar ook buiten de uitoefening van belanghebbendes dienstbetrekking kan worden gedragen maar, evenals bij voorbeeld het rokkostuum, niet geschikt is om te worden gebruikt in het normale dagelijkse leven. 3.3. Anders dan in het middel wordt betoogd is ten aanzien van belanghebbende dan ook geen sprake van niet tot de werkkleding te rekenen gelegenheidskleding. Het middel faalt derhalve. 3.4. Het Hof heeft geen kosten ter zake van tijdens de werktijd genuttigde koffie en thee in aftrek toegelaten. Zoals door de Staatssecretaris van Financiën in zijn beroepschrift in cassatie is erkend, heeft belanghebbende te dezer zake recht op een aftrek van ƒ 242,--. 3.5. Uit het in 3.4 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het belastbare inkomen dient nader te worden vastgesteld op ƒ 104.442,-- min ƒ 242,-- = ƒ 104.200,--.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 104.200,-- en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het terzake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.

Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 3 mei 1995 en in het openbaar uitgesproken.