Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1552

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29897
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/167
FED 1995/455 met annotatie van P. FORTUIN
FED 1995/346
WFR 1995/634, 1
V-N 1995/1542, 16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 juli 1993 betreffende de na te melden voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 77.765,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 77.588,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende was tot omstreeks februari 1988 als directeur in dienstbetrekking bij een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Hij is toen op non-actief gesteld en hij ontvangt sedertdien uit zijn dienstbetrekking, die ook in het onderhavige jaar nog voortduurde, geen salaris meer. Belanghebbende procedeert tegen zijn werkgeefster om de schorsing op te heffen, te voorkomen dat hem ontslag wordt verleend en om schadevergoeding te verkrijgen. Hiervoor maakt hij gebruik van een kantoorruimte in zijn woning. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar ingevolge de Werkloosheidswet een uitkering van ƒ 73.470,-- ontvangen. Deze uitkering moet worden terugbetaald afhankelijk van hetgeen de werkgever eventueel aan belanghebbende verschuldigd zal blijken te zijn. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende als op de inkomsten uit arbeid drukkende kosten vermeld, naast enige niet in geschil zijnde posten van in totaal ƒ 658,--, een bedrag van ƒ 4.706,-- voor een kantoorruimte als bedoeld in artikel 36, lid 1, aanhef en letter b, onder 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1990; hierna: de Wet). 3.2. Belanghebbende verwijt het Hof dat het de feiten niet volledig heeft weergegeven en als gevolg daarvan is voorbijgegaan aan belanghebbendes stelling dat de kosten welke zijn verbonden aan het gebruik van de kantoorruimte aftrekbare kosten zijn omdat zij zijn gemaakt teneinde door middel van in die ruimte voorbereide gerechtelijke procedures de aan belanghebbende toekomende inkomsten uit zijn nog bestaande dienstbetrekking, althans een schadeloosstelling daarvoor, te verwerven. Deze stelling wordt in cassatie opnieuw aangevoerd. Met betrekking tot deze stelling geldt het volgende. 3.3. De stelling gaat terecht ervan uit dat kosten, gemaakt door een werknemer om een dreigend ontslag af te weren en/of om een ontslagvergoeding te verkrijgen, tot de aftrekbare kosten kunnen behoren. Indien die kosten bestaan uit kosten die verband houden met een kantoorruimte in de woning, gelden evenwel nadere vereisten. 3.4. Ingevolge het bepaalde in het hier van toepassing zijnde artikel 36, lid 1, aanhef en letter b, onder 2, van de Wet is beslissend - voor zover hier van belang - of de belastingplichtige het gezamenlijke bedrag van zijn inkomsten uit arbeid, waaronder te begrijpen eventueel na afloop van het jaar nog te genieten inkomsten, grotendeels in of vanuit de kantoorruimte heeft verworven. Het ligt hierbij op de weg van de betrokken belastingplichtige, op wie te dezen de stelplicht en de bewijslast rust, feiten aan te voeren - en voor zover nodig aannemelijk te maken - op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan bovenbedoeld vereiste is voldaan. Feiten als de hier bedoelde, die betrekking zouden moeten hebben op met het oog op de inkomsten in de kantoorruimte doorgebrachte werktijd en de toerekening van die inkomsten aan die werktijd, heeft belanghebbende evenwel niet aangevoerd. Reeds daarom faalt de in 3.2 bedoelde klacht. 3.5. Voor het onderhavige jaar behoeft derhalve slechts te worden gerekend met de door belanghebbende genoten uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. De in 3.1 vermelde feiten en omstandigheden laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat die uitkering niet in of vanuit de kantoorruimte is verworven. Aan de juistheid van dit oordeel doet niet af dat de uitkering mogelijk geheel of gedeeltelijk zal moeten worden terugbetaald, zulks afhankelijk van de uitkomst van het geschil tussen belanghebbende en zijn werkgeefster. Ook de overige klachten falen derhalve.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, in raadkamer van 12 april 1995.