Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1551

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29903
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/163
FED 1995/308
WFR 1995/557, 1
V-N 1995/1417, 13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 september 1993 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 48.174,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt hiervan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In het onderhavige jaar is de in 1954 geboren echtgenote van belanghebbende twee keer ruim drie maanden opgenomen geweest in A, een particulier tehuis met twintig kamers dat wordt geleid door een gediplomeerd verpleegkundige. Ter zake van de verzorging en begeleiding van belanghebbendes echtgenote aldaar is ƒ 6.840,-- in rekening gebracht. Belanghebbende heeft op 4 februari 1991 zijn ziektekostenverzekeraar verzocht deze kosten te vergoeden. In dit verzoek schrijft belanghebbende - voor zover thans van belang -:

"... Daar echter, gezien de omstandigheden van mijn vrouw, thuisverpleging onmogelijk is, en in het verleden opname in een erkende instelling(en) ook niet het gewenste resultaat is bereikt, is gekozen voor opname in A, de kosten voor begeleiding en verzorging bedraagt echter ƒ 1.000,-- per maand terwijl de opname in een (erkende) instelling ƒ 15 tot ƒ 20.000,--, per maand kost (...). Tevens heb ik hierbij ingesloten een brief van B, alsmede C, terwijl ik u ook kan zeggen dat de eigen huisarts ... er positief tegenover staat".

De op 29 januari 1991 gedagtekende verklaring van C, huisarts te Q, luidt - voorzover thans van belang -:

"dat het voor mw ... medisch gewenst is dat zij in een beschermde woonomgeving ... woont".

De op 22 januari 1991 gedagtekende brief van B, zenuwarts werkzaam bij de Riagg te Z, vermeldt - voor zover thans van belang -:

"1) Patiënte, toen bij de Riagg te Z in behandeling, is in april 1990 tijdens een verergering van haar ziekte opgenomen in A te R, in een toestand die haar zelfstandig functioneren thuis onmogelijk maakte. Ze was daar toen enkele maanden opgenomen. 2) Eenzelfde situatie deed zich in september 1990 voor weshalve toen een klinische behandeling geïndiceerd werd geacht. I.v.m. haar religieuze achtergrond en de bekendheid met A is ze toen daar wederom opgenomen. Hierbij werd opnieuw de plaatselijke RIAGG ingeschakeld".

3.2. In 's Hofs uitspraak ligt besloten dat het verblijf van belanghebbendes echtgenote in het tehuis rechtstreeks verband hield met haar psychische ziekte. 3.3. Voor zijn oordeel dat de onderhavige uitgaven niet kunnen worden aangemerkt als uitgaven ter zake van ziekte als bedoeld in artikel 46, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft het Hof redengevend geoordeeld dat de in het tehuis geboden verzorging en begeleiding niet op zichzelf een medische behandeling vormde en dat belanghebbendes echtgenote aldaar ook niet door een geneeskundige werd behandeld. 3.4. Aldus heeft het Hof miskend dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van - thans (1990) - artikel 46, lid 3, (Wet van 24 december 1970, Stb. 604, Kamerstukken II 1969/70, 10790, nr. 3, blz. 17 linkerkolom) blijkt, dat de wetgever met de in lid 3 gegeven opsomming niet heeft bedoeld voortaan kosten van verblijf in andere inrichtingen dan ziekenhuizen en verpleeginrichtingen uit te zonderen van de in artikel 46, lid 1, letter b, bedoelde kosten van ziekte of invaliditeit, nu hij tot zodanige kosten is blijven rekenen de kosten van verstrekkingen, zoals die zijn vervat in de verstrekkingenpakketten krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ook wanneer deze op zichzelf niet zijn te rangschikken onder de geneeskundige hulp voorkomend in de limitatieve opsomming van lid 3, letter a. 3.5. Als zodanige verstrekkingen komen blijkens artikel 6, leden 2 en 3, van laatstgenoemde wet mede in aanmerking vormen van maatschappelijke dienstverlening, waaronder de in artikel 1 onder L van het Verstrekkingenbesluit Bijzondere Ziektekostenverzekering 1968 vermelde "Hulp door of vanwege een regionale instelling voor beschermd wonen", welke dienstverlening nader is uitgewerkt in de Regeling hulp door of vanwege een regionale instelling voor beschermd wonen Bijzondere Ziektekostenverzekering (Besluit van 11 juli 1988, nr. VE-402830, Stcrt 148). Uit de Toelichting op de Regeling blijkt dat het onder de AWBZ brengen van de beschermende woonvormen beschouwd wordt als een belangrijke stimulans voor de uitvoering van het regeringsbeleid dat erop gericht is een verschuiving tot stand te brengen tussen verschillende vormen van hulpverlening, in het bijzonder van intensieve klinische hulpverlening in het kader van psychiatrische ziekenhuizen naar minder intensieve vormen van hulpverlening buiten dat kader. Dit beleid zal volgens het definitief regeringsstandpunt mede leiden tot het voorkomen dan wel uitstellen van opneming in psychiatrische ziekenhuizen en tot een verkorting van de opnameduur daarin. Blijkens de artikelsgewijze toelichting op artikel 2 omvat de verstrekking de onderdelen verblijf en begeleiding. Deze toelichting houdt verder in:

"Met deze omschrijvingen is de verstrekking afgegrensd van de andere verstrekkingen op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg. Van de psychiatrische ziekenhuisverpleging en de psychiatrische deeltijdbehandeling omdat daar de behandeling als element van de hulpverlening centraal staat en van de ambulante hulpverlening omdat daar het verblijf niet tot de verstrekking behoort. Bij de omschrijving van de verstrekking is rekening gehouden met het in de praktijk van de hulpverlening gehuldigde normalisatie-prinipe, (...). Dat brengt met zich mee dat ondermeer geneeskundige hulp door een huisarts, hulp in het kader van kruiswerk, ambulante (sociaal- )psychiatrische hulp, farmaceutische hulp, tandheelkundige hulp en specialistische hulp door een bewoner van een beschermde woonvorm, (...) verkregen dient te worden in het kader van andere verstrekkingen van Ziekenfondswet dan wel AWBZ. De omschrijving van de verstrekking en de aard van de voorziening brengt ook met zich mee dat door regionale instellingen voor beschermd wonen geen verpleging of intensieve verzorging van structurele aard geboden kan worden; normale verzorging in de zin van het bieden van voedsel en drank e.d. behoort uiteraard wel tot de verstrekking. Daartoe behoort ook incidentele intensieve verzorging en incidentele verpleging, zonodig met hulp vanwege een kruisorganisatie".

3.6. Het onderhavige tehuis is kennelijk niet een erkende regionale AWBZ-instelling voor beschermd wonen. Het tehuis stelt zich evenwel naar 's Hofs vaststelling ten doel een Christengemeenschap te zijn waar men geestelijk en/of lichamelijk tot rust kan komen, waar persoonlijke aandacht is en waar men weer zicht en hoop kan krijgen op een nieuw leven. In verband hiermee moet worden onderzocht of de in het tehuis geboden verzorging en begeleiding in wezen dezelfde is als die welke wordt gegeven ingevolge een verstrekking bedoeld in de Regeling hulp door of vanwege een regionale instelling voor beschermd wonen Bijzondere Ziektekostenverzekering. 3.7. Het vorenoverwogene brengt mee dat de klachten ten dele gegrond zijn en voor het overige geen behandeling behoeven. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van zijn beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.

Dit arrest is op 5 april 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.