Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1547

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30002
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/141 met annotatie van Van Dijck
FED 1995/286
FED 1995/472
WFR 1995/522
V-N 1995/1315, 16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 1993 betreffende na te melden navorderings- aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1985 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 163.618,--, waarvan ƒ 24.838,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, (tekst 1985) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 459.993,--, waarvan ƒ 101.391,-- belast naar voormeld bijzonder tarief, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 459.059,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

3.1.1. Belanghebbende en haar echtgenoot, die buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, exploiteerden tot 31 december 1985 in de vorm van een vennootschap onder firma een café te Z (hierna: het bedrijf). Op 30 december 1985 hebben zij het bedrijf tegen een koopsom van ƒ 950.000,-- overgedragen aan A B.V., die een bedrag van ƒ 600.000,-- onmiddellijk heeft voldaan en voor het restant een schuldbekentenis heeft getekend. Eveneens op 30 december 1985 hebben belanghebbende en haar echtgenoot schriftelijk verklaard dat zij van de opbrengst uit de verkoop van de onderneming een bedrag van ƒ 592.750,-- bestemden om te storten in één of twee door hen op te richten, zogenoemde stamrecht-B.V.'s.

3.1.2. Op 8 januari 1986 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een, op beider naam gestelde, depositorekening geopend bij de ABN. Op diezelfde dag nog is op de depositorekening een bedrag van ƒ 500.000,-- gestort, welk bedrag afkomstig is van de door A B.V. bij de overdracht van het bedrijf betaalde koopsom. De depositorekening is op 31 juli 1986 voor een bedrag van f 425.000,-- gedebiteerd en vervolgens afgewikkeld.

3.1.3. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben op 9 mei 1986 voor een som van ƒ 370.000,-- het pand a-straat 1 te Z (hierna: de woning) gekocht. De koopovereenkomst bevat geen ontbindende voorwaarden. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij de koop van de woning een waarborgsom van ƒ 37.000,-- betaald. Het restant van de koopsom hebben zij voldaan op 1 augustus 1986, de dag waarop de woning aan hen in gezamenlijke eigendom is geleverd.

3.1.4. Op 6 juni 1986 hebben belanghebbende en haar echtgenoot de besloten vennootschap B B.V. (hierna: de stamrecht-B.V.) opgericht, welke vennootschap onder meer ten doel heeft het aangaan van overeenkomsten van lijfrenteverzekeringen en het doen van periodieke uitkeringen van lijfrenten. Op 20 juni 1986 heeft belanghebbende, evenals haar echtgenoot, voor een bedrag van ƒ 296.375,--, bij de stamrecht-B.V. een recht op - dadelijke ingaande - periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, (tekst 1985, hierna: de Wet) bedongen (hierna: het stamrecht). Op laatstgenoemde datum heeft zij tevens, evenals haar echtgenoot, voor een bedrag van ƒ 296.375,-- een overeenkomst van geldlening met de stamrecht-B.V. gesloten. De uit de overeenkomsten voortvloeiende wederzijdse betalingsverplichtingen zijn met gesloten beurs verrekend. 3.1.5. De met de overdracht van het bedrijf door belanghebbende en haar echtgenoot behaalde stakingswinst beliep in totaal ƒ 682.426,--. De helft daarvan kwam toe aan belanghebbende, derhalve een bedrag van ƒ 341.213,-- (hierna: de stakingswinst). Bij haar aangifte over het onderhavige jaar (1985) heeft belanghebbende - op de voet van het bepaalde in artikel 19, lid 1 jo. lid 2, aanhef en letter b, aanhef en onder 2?, van de Wet - op de stakingswinst een bedrag van ƒ 296.375,-- in mindering gebracht.

3.1.6. De Inspecteur heeft zich, nadat hij kennis had gekregen van de overeenkomst van 9 mei 1986, bij het opleggen van de onderhavige aanslag op het standpunt gesteld dat ter zake van het door belanghebbende bedongen stamrecht geen bedrag ten laste van de stakingswinst kan worden gebracht, nu het stamrecht niet is bedongen in rechtstreeks verband met het staken van haar onderneming, als bedoeld in artikel 19, lid 1, van de Wet.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld: dat belanghebbende de vergoeding voor de overgedragen onderneming heeft aangewend om een woning te kopen en niet om een stamrecht te bedingen; dat zij de koopsom voor het stamrecht schuldig is gebleven. Het Hof is tot die oordelen gekomen op grond van de overwegingen: dat het uit de omstandigheid dat de koopovereenkomst van 9 mei 1986 zonder ontbindende voorwaarde is gesloten, en de omstandigheid dat belanghebbende en haar echtgenoot toen wisten dat zij uiterlijk 1 augustus 1986 een bedrag van ƒ 370.000,-- verminderd met de waarborgsom van ƒ 37.000,-- dienden te betalen, afleidt dat zij niet van plan waren voor de verwerving van de woning een financiering te zoeken bij derden, behalve wellicht bij de nog op te richten stamrecht-B.V.; dat het aannemelijk is dat zij reeds op 9 mei 1986 hebben besloten, of besloten hadden, om het geld op de depositorekening aan te wenden voor de aankoop van de woning en om de stamrechten te financieren door het sluiten van leningen bij de op te richten stamrecht-B.V.; dat zij aan deze plannen uitvoering hebben gegeven, aangezien aannemelijk is dat het hiervóór in 3.1.2 bedoelde bedrag van ƒ 425.000,-- is aangewend ter voldoening van de uit het koopcontract van 9 mei 1986 en uit de akte van transport van onroerend goed van 1 augustus 1986 voortvloeiende verplichtingen, en aangezien niets van het bij de verkoop van de onderneming verkregen kapitaal op enige rekening van de stamrecht-B.V. is terechtgekomen en haar evenmin een gedeelte van de vordering op A B.V. is gecedeerd.

3.3. Vorenweergegeven oordelen zijn van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat zij in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden. De klachten kunnen derhalve in zoverre zij tegen die oordelen opkomen, niet tot cassatie leiden. Daaraan doet niet af de door belanghebbende reeds voor het Hof gestelde omstandigheid dat voor haar en haar echtgenoot de aankoop van de woning ook zonder de verkoop van de onderneming mogelijk was geweest, nu gesteld noch gebleken is dat alsdan die aankoop ook zonder financiering van derden mogelijk was geweest. Anders dan in de klachten wordt betoogd, kon het Hof mitsdien aan de genoemde omstandigheid voorbijgaan. Evenmin doet daaraan af de hiervóór in 3.1.1 bedoelde verklaring. In de bestreden oordelen immers ligt besloten het oordeel dat belanghebbende en haar echtgenoot nadien het in de verklaring van 30 december 1985 tot uitdrukking gebrachte voornemen niet ten uitvoer hadden gebracht.

3.4. Het hiervóór in 3.2 en 3.3 overwogene brengt mee dat het Hof zonder schending van het bepaalde in artikel 19 van de Wet heeft kunnen oordelen dat in zoverre belanghebbende haar stakingswinst geacht moet worden te hebben aangewend voor de aankoop van de woning, belanghebbende haar stamrecht niet in rechtstreeks verband met de staking van de onderneming heeft bedongen, zodat in ieder geval tot het voor die aankoop aangewende bedrag geen beroep kan worden gedaan op de zogenoemde stamrechtvrijstelling. In zoverre de klachten tegen dit oordeel opkomen falen zij derhalve.

3.5. Gezien de hiervóór in 3.1.3 en 3.1.5 vermelde feiten, is kennelijk niet de gehele door belanghebbende en haar echtgenoot met de overdracht van het bedrijf behaalde stakingswinst aangewend voor de aankoop van de woning. Nu het ten hoogste ter zake van een bedongen stamrecht ten laste van hun stakingswinst te brengen bedrag zowel voor belanghebbende als haar echtgenoot ƒ 296.375,-- beliep, heeft het Hof, gelijk ook in de klachten wordt betoogd, ten onrechte niet onderzocht of belanghebbende, mede gelet op haar aandeel in de met de aankoop van de woning verbonden kosten, voor een gedeelte van de door haar ter zake van het stamrecht verschuldigde koopsom een beroep kon doen op de stamrechtvrijstelling, zodat de klachten in zoverre doel treffen. Hierbij verdient opmerking dat de omstandigheid dat belanghebbende de koopsom van het stamrecht is schuldig gebleven, op zichzelf beschouwd aan het bestaan van een rechtstreeks verband als vorenbedoeld niet in de weg behoeft te staan. Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratie belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent de eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is op 29 maart 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.