Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1542

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-1995
Datum publicatie
29-11-2002
Zaaknummer
30119
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/248 met annotatie van A.H.M. Daniels
FED 1995/348
FED 1995/426 met annotatie van X.G.R. AUERBACH
WFR 1995/635, 1
V-N 1995/1654, 6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 januari 1994 betreffende de haar voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 352.710,--, zonder vermindering van de verschuldigde belasting wegens aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende exploiteert een meubeldetailhandel. Zij is aangesloten bij de Coöperatieve A B.A. te Q (hierna: A). 3.1.2. Een op 16 november 1989 gesloten overeenkomst tussen A en B GmbH & Co Kommanditgesellschaft te R, Duitsland (hierna: B), als aanvulling op een in 1973 gesloten overeenkomst, bepaalt, zakelijk weergegeven: - A is "stille vennoot" in B. - A bezit haar deelneming in B als trustee voor de bij haar als groep I (C-Gruppe) aangesloten Nederlandse meubelfirma's. - Iedere bij A aangesloten Nederlandse lastgever zal een lening van DM 40.000,-- moeten verstrekken aan B. De leningsrekening wordt voor iedere lastgever afzonderlijk bijgehouden. - De jaarwinst komt niet A maar direct de als lastgevers fungerende Nederlandse meubelfirma's toe in verhouding tot hun aandelen in de totale omzet van B.

3.1.3. Een overeenkomst tussen A als "stille vennoot" van B en belanghebbende als dealer van "B-kollektie", gedagtekend 29 februari 1992 en bevattende een vastlegging van een reeds eerder tussen partijen bestaande, op mondelinge afspraken gebaseerde rechtsverhouding, bepaalt onder meer, zakelijk weergegeven: - Alleen A is gerechtigd de rechten voor het voeren van de B-collectie in Nederland te verstrekken en het dealerschap te verlenen. Het dealerschap is onlosmakelijk verbonden aan het lidmaatschap van A. - A verstrekt de dealer het recht, gelijk de dealer dit recht aanvaardt, tot koop en verkoop van meubelen uit het assortiment van B onder de speciale B-condities. - De dealer is via A gerechtigd in een winstaandeel op basis van de door hem behaalde omzet in meubelen uit de B-collectie. 3.1.4. In het onderhavige jaar ontving belanghebbende van B, omgerekend in Nederlandse guldens, een op basis van de winst van B berekend bedrag van ƒ 15.653,--.

3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij te dezer zake aanspraak heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wegens door haar in Duitsland behaalde winst met een aldaar aanwezige vaste inrichting. Zij heeft dit standpunt gegrond op de stelling dat zij moet worden aangemerkt als commanditair vennote in een commanditaire vennootschap die zij was aangegaan met B. Het Hof heeft deze stelling verworpen en heeft geoordeeld dat belanghebbende de aanwezigheid van een commanditaire verhouding tussen belanghebbende en de B-organisatie niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als berustende op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van de desbetreffende overeenkomsten en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur onvoldoende te berde heeft gebracht en aannemelijk heeft gemaakt om ervan uit te gaan dat zij door middel van een vaste inrichting in Duitsland winst heeft behaald. Dit oordeel geeft - mede gelet op hetgeen hiervóór in 3.2 overwogen - evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is verweven met waarderingen van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Voor zover de middelen zich keren tegen voormeld oordeel, falen zij derhalve.

3.4. 's Hofs oordeel dat niet is komen vast te staan dat belanghebbende in Duitsland zelfstandig aan de heffing van een belasting naar de winst onderworpen is geweest, noch dat zij aldaar als lid van B in de belastingheffing is betrokken, is ten overvloede gegeven en draagt 's Hofs beslissing niet, zodat de middelen voor zover zij zich keren tegen dit oordeel, evenmin tot cassatie kunnen leiden.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 19 april 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.