Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1528

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30315
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27 (oud)
Wet op de loonbelasting 1964 4
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/155
FED 1995/290
FED 1995/447
WFR 1995/524
V-N 1995/1339, 27 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 mei 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1989 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 17.440,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 4.360,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak alsmede dit besluit heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: In de jaren 1987 tot en met 1990 was belanghebbende werkzaam als docent koordirectie aan een conservatorium en als dirigent/repetitor bij een aantal koren. In zijn aangiften voor de heffing van de inkomstenbelasting vermeldde hij, naast loon uit dienstbetrekking, als winst uit onderneming over het jaar 1987, waarin hij werkzaamheden had verricht voor drie koren: ƒ 28.685,--, over het jaar 1988, waarin hij werkzaamheden had verricht voor vier koren: ƒ 52.777,-- en over het jaar 1989, waarin hij werkzaamheden had verricht voor twee koren: ƒ 46.734,-- (hierna: de opbrengsten). Voor deze werkzaamheden als dirigent/repetitor heeft belanghebbende investeringen gedaan en heeft hij een personenauto, een videorecorder en audio-apparatuur tot zijn ondernemingsvermogen gerekend. Aan de werkzaamheden waarvan hij de opbrengsten als winst uit onderneming aangaf, besteedde hij ten minste 1225 uren per jaar. Belanghebbende heeft voldoening van omzetbelasting over de opbrengsten achterwege gelaten. De Inspecteur heeft te dier zake de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu belanghebbende in zijn - met behulp van een professionele belastingadviseur ingevulde - aangiften voor de inkomstenbelasting zijn werk als dirigent/repetitor heeft ingedeeld in gedeelten die loon uit dienstbetrekking en die winst uit onderneming opleverden, het vermoeden gerechtvaardigd is dat belanghebbende het laatstbedoelde gedeelte van het werk in de zelfstandige uitoefening van een beroep heeft verricht. Het Hof heeft verworpen belanghebbendes stellingen dat hij met het werk dat de opbrengsten heeft opgeleverd, niet aan het maatschappelijk/economische verkeer heeft deelgenomen, dat hij met dit werk niet duurzaam heeft gestreefd naar het bevredigen van maatschappelijke behoeften en dat hij dit werk niet zelfstandig heeft verricht. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende, mede gelet op het niveau van de opbrengsten, de aanwending door belanghebbende van bedrijfsmiddelen en het tijdsbeslag van de desbetreffende werkzaamheden, met betrekking tot de opbrengsten voor de heffing van de omzetbelasting als ondernemer was aan te merken.

3.3. Middel I keert zich tegen de hiervóór in 3.2 vermelde oordelen. Het middel faalt echter, daar deze oordelen niet blijk geven van een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) en zij als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst. Zij zijn ook niet onvoldoende gemotiveerd. De in het middel naar voren gebrachte stelling dat belanghebbende te zamen met een door hem gedirigeerd koor een eenheid vormde, zodat niet belanghebbende, doch het koor ondernemer is, gaat eraan voorbij dat zulks kan gelden voor zover belanghebbende te zamen met het koor naar buiten optreedt, maar er niet aan afdoet dat belanghebbende in de verhouding tot het koor als ondernemer kan optreden. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat hij geen koordirigent is die allerlei plaatselijke amateurkoren leidt op hun wekelijkse zangavonden, doet aan belanghebbendes zelfstandigheid niet af. Het middel keert zich voorts tevergeefs tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbendes stelling dat hij bij werk voor koren waarmee hij niet in een vaste relatie stond, niet als ondernemer optrad omdat hij dat werk verrichtte vanwege de sociale verplichting of de artistieke uitdaging, maar zonder winststreven, dient te worden verworpen voor zover hij voor de bedoelde opdrachten een honorarium bedong, aangezien dat oordeel juist is.

3.4. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat belanghebbende als dirigent/repetitor vrijwel uitsluitend werkzaam was tijdens repetities, waarbij zijn taak bestond uit het bijbrengen van kennis en vaardigheden aan koorleden, en heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende geen artiest was, wiens artistieke prestatie bestemd is om hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk door publiek te worden beluisterd, en evenmin een remplaçant, hetgeen meebrengt dat hij voor de toepassing van de Resolutie van 12 januari 1982, nr. 282-22, aangevuld bij Resolutie van 24 maart 1982, nr. 282-4381, en vervangen door de Resolutie van 21 augustus 1992, nr. VB.92/1599 (respectievelijk gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 1982, blz. 336 e.v. en blz. 843, en 1992, blz. 2483 e.v.), niet is te rekenen tot de in die Resolutie bedoelde "personen die als musicus of anderszins als artiest optreden", zodat hij zich niet met vrucht op die Resolutie kan beroepen.

3.5. Middel II, dat zich tegen het hiervóór in 3.4 laatstgenoemde oordeel van het Hof richt, kan niet tot cassatie leiden, aangezien dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het in die Resolutie bepaalde, en het als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Omtrent de vraag of belanghebbende over door bepaalde koren aan hem betaalde vergoedingen waarop loonbelasting is ingehouden, omzetbelasting verschuldigd was, behoefde het Hof zich niet uit te laten, omdat zulks geen onderdeel van de rechtsstrijd uitmaakte. Voor zover het middel betoogt dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op het door belanghebbende in zijn pleitnota voor het Hof gedane bewijsaanbod, kan het niet tot cassatie leiden, nu het Hof de te bewijzen aangeboden feiten kennelijk - en terecht - niet relevant heeft geacht.

3.6. Het Hof heeft belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen, doordat het heeft geoordeeld dat belanghebbendes stellingen dat het onduidelijk en onzeker is hoe de Wet met betrekking tot dirigenten moet worden toegepast en dat het te lang heeft geduurd totdat de belastingdienst constateerde dat een inkomstenbelasting-ondernemer ook een omzetbelasting-ondernemer was, hem niet kan baten en heeft ten slotte geoordeeld dat op belanghebbende grove schuld rust ter zake van het achterwege laten van voldoening van omzetbelasting, omdat hij, die zich voor de heffing van de inkomstenbelasting als ondernemer beschouwde en op wie de plicht rustte zich te oriënteren met betrekking tot de heffing van omzetbelasting, niet waarmaakt waarom hij in redelijkheid kon menen dat de door hem als winst uit onderneming aangegeven opbrengsten niet aan de heffing van omzetbelasting waren onderworpen, zodat de Inspecteur niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door de verhoging niet verder dan tot op 25% kwijt te schelden.

3.7. De middelen III en IV bestrijden deze oordelen met de stellingen dat belanghebbende zich op een pleitbaar standpunt heeft gesteld, dat belanghebbende aan het jarenlang achterwege blijven van handelingen van de desbetreffende Inspecteur vertrouwen kon ontlenen en dat in de landelijke praktijk dirigenten niet als ondernemer in de zin van de Wet worden gekwalificeerd. De stelling dat belanghebbende zich op een pleitbaar standpunt heeft gesteld, kan niet tot cassatie leiden, omdat het Hof zonder schending van een rechtsregel kon oordelen dat in de gegeven omstandigheden op belanghebbende de plicht rustte zich te oriënteren met betrekking tot de heffing van omzetbelasting. De stelling dat op de desbetreffende inspecteur een onderzoeksplicht rustte, kan evenmin tot cassatie leiden, indien met de desbetreffende inspecteur wordt bedoeld de inspecteur die bevoegd was ten aanzien van de heffing van inkomstenbelasting, omdat op die inspecteur geen onderzoeksplicht rustte met betrekking tot de heffing van omzetbelasting, terwijl indien met de desbetreffende inspecteur wordt bedoeld de inspecteur die bevoegd was ten aanzien van de heffing van omzetbelasting, de stelling niet tot cassatie kan leiden, reeds omdat het Hof kennelijk ervan is uitgegaan dat die inspecteur geen kennis droeg van de litigieuze werkzaamheden van belanghebbende. Voor zover het middel een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, kan het niet tot cassatie leiden, nu behandeling van deze stelling een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor het geding in cassatie niet de mogelijkheid biedt. De middelen III en IV falen derhalve eveneens.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 29 maart 1995 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter en de raadsheren Bellaart en De Moor, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.