Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30660
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27 (oud), geldigheid: 1995-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/24.28

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 september 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-BB een naheffingsaanslag in de motor rijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijd vak 1 november 1991 tot en met 31 oktober 1992, ten bedrage van f 2.367,-- aan enkelvoudige belasting en f 1.183,-- aan verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en dit besluit heeft bevestigd.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financi├źn heeft bij ver toogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft zijn zaak doen toelichten door mr. T.A.M. Drubbel, advocaat te Nijmegen.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende was op na te melden controledatum houder van een motorrijtuig met kenteken AA-00-BB. Bij ambtelijke controle is geconstateerd dat op 23 oktober 1992 de weg in de gemeente Q is gebruikt, zonder dat vooraf de motorrijtuigenbelasting naar het tarief voor personenauto's was betaald.

3.2. Middel 1 betoogt dat het oordeel van het Hof, volgens hetwelk met het onderhavige motorrijtuig de weg is gebruikt zonder dat vooraf de motorrijtuigenbelasting was betaald, onbegrijpelijk is, omdat de belasting naar het tarief voor vrachtauto's wel was betaald. Dit betoogt faalt echter, aangezien dit oordeel blijkens hetgeen het Hof in zijn uitspraak onder 4.4 heeft overwogen aldus moet worden verstaan dat ten tijde van de controle voor belanghebbendes motorrijtuig de belasting niet (volledig) naar het voor personenauto's geldende tarief was betaald.

3.3. Middel 2 klaagt erover, dat het Hof zonder enige motivering voorbij is gegaan aan de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur geen naheffingsaanslag kan opleggen op basis van feiten, niet zijnde feiten van algemene bekendheid, die niet door of namens hem zijn geconstateerd, zoals - aldus het middel - het geval was met het feit dat de binnen hoogte niet 130 cm of meer bedroeg. Het middel faalt, nu het Hof heeft overwogen dat belanghebbende ter zitting heeft toegegeven dat het dak op de controledatum niet was verhoogd en de hoog te derhalve 122 cm bedroeg, en op grond daarvan heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststond dat het motorrijtuig ten tijde van de controle een personen auto was.

3.4. Middel 3 voert aan dat het Hof niet, al thans niet voldoende gemotiveerd heeft beslist dat er geen gronden zijn voor kwijtschelding van de verhoging. Het middel faalt echter, aangezien het Hof heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden die belanghebbende aanvoert in verband met zijn pleidooi voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de verhoging wegens afwezigheid van schuld of wegens verminderde schuld, geen verdergaande kwijtschelding van de verhoging rechtvaardigen dan de Inspecteur reeds heeft verleend, en het Hof andere gronden voor een verdergaande kwijtschelding evenmin aanwezig acht; dit oordeel houdt een toereikende motivering in.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 20 december 1995 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter, en de raadsheren Bellaart en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.