Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1995:AA1494

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-05-1995
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29919
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 1999/18.23

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 oktober 1993 betreffende de hem voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1986 een aan slag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 4.312,--, naar een premie-inkomen van f 21.246,-- en onder verrekening van f 1.181,-- aan ingehouden premies, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aan slag ten bedrage van f 4.219,--, naar een premie-inkomen van f 20.895,-- en onder verrekening van f 1.181,-- aan ingehouden premies.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij ver toogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aan leiding van het middel en ambtshalve 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uit gegaan:

3.1.1. Belanghebbende is geboren in 1937. Hij woonde in het onderhavige jaar (1986) in Nederland. Hij heeft op 4 november 1985 zijn beroepswerkzaam heden wegens arbeidsongeschiktheid gestaakt. Voordien was hij in dienstbetrekking werkzaam in Duitsland. Belanghebbende heeft over 1986 voor de inkomstenbelasting aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van f 20.065,94. In dit inkomen was begrepen een ten laste van de Landesversicherungsanstalt West falen komende uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, "Erwerbsunfähigkeitsrente" genoemd (hier na: de Duitse rente), ten bedrage van f 14.896,24, en een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) ten bedrage van f 9539,56. Belanghebbende is ingevolge het bepaalde in artikel 2 jo. artikel 6, lid 1, aanhef en letter a, jo. artikel 23, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet (tekst 1986; hierna: de AOW) en de vergelijkbare artikelen van de overige volksverzekeringswetten, verzekerd ingevolge die wetten en uit dien hoofde, uitsluitend beoordeeld naar de regels van Nederlands nationaal recht, premieplichtig voor de premieheffing volksverzekeringen.

3.1.2. Voor het Hof was in geschil of belangheb bende, gezien de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (in de voor 1986 geldende tekst; hierna: de Verordening) voor het jaar 1986 aan de premieheffing volksverzekeringen was onderworpen. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, was voorts in geschil of het premie-inkomen van belanghebbende met de Duitse rente moet worden verminderd. De eerste vraag is door de Inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend beantwoord, de tweede door de Inspecteur ontkennend en door belang hebbende bevestigend. Niet in geschil is dat, indien het gelijk aan de Inspecteur is, belanghebbendes premie-inkomen op f 20.895,-- en het bedrag van de aanslag op f 4.219,-- - onder verrekening van f 1.181,-- aan ingehouden premies - moet worden gesteld.

3.2.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat belanghebbende het vermoeden dat hij in ieder geval bij het begin van het onderhavige jaar in de toestand verkeerde dat hij voorgoed zijn beroepswerkzaamheden had gestaakt, niet heeft ontzenuwd.

3.2.2. Vervolgens heeft het Hof ter zake van de eerste vraag - voor zover te dezen van belang - geoordeeld: dat het hiervóór in 3.2.1 vermelde oor deel, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 21 februari 1991, in de zaak C-140/88 (Noij), BNB 1992/40, met zich brengt dat, anders dan belanghebbende met zijn beroep op het arrest van genoemd Hof van Justitie van 12 juni 1986, in de zaak 302/84 (Ten Holder), RSV 1987/24, meent, het gemeenschapsrecht niet eraan in de weg staat dat belanghebbende gedurende het onderhavige jaar als ingezetene van Nederland aan de sociale zekerheidswetgeving van Nederland wordt onderworpen; dat belanghebbende desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat eventuele hem uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen toekomende prestaties niet ten laste van een orgaan in Duitsland komen; dat de eerste in geschil zijnde vraag derhalve in de door de Inspecteur bepleite zin moet worden beantwoord. Tegen dit laatste oordeel komt het middel op.

3.2.3. Ter zake van de tweede vraag heeft het Hof geoordeeld: dat, nu ter zitting is komen vast te staan dat de Duitse rente niet is onderworpen aan enige Duitse premieheffing, vermindering van het premie-inkomen met de Duitse rente op de voet van het artikel 3a, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsbeschikking premieheffing volksverzekeringen 1968 niet kan plaatsvinden; dat de tweede in geschil zijnde vraag dus ontkennend moet worden beantwoord.

3.3. Wat betreft de vraag of belanghebbende voor het jaar 1986 in de premieheffing volksverzekeringen kan worden betrokken, moet, gelet op het hiervóór in 3.2.2 vermelde arrest - Noij, vooropgesteld worden dat, nu belanghebbende, blijkens het hiervóór in 3.2.1 overwogene, geacht moet worden zijn beroeps werkzaamheden blijvend te hebben beëindigd, titel II van de Verordening geen regels inhield ter aanwijzing van de te zijnen aanzien toe te passen wetgeving, en derhalve niet belette dat belanghebbende in overeen stemming met de nationale wetgeving in de premieheffing voor de volksverzekeringen werd betrokken, doch dat de regels van gemeenschapsrecht wel eraan in de weg staan dat van belanghebbende op grond van het enkele feit dat hij in Nederland woont, premies zou den worden verlangd ter dekking van kosten van prestaties die ten laste van een orgaan van een andere Lid-Staat komen. Het voorgaande brengt mee dat het middel, dat betoogt dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, te dezen beslissend is het hiervóór in 3.2.2 vermelde arrest Ten Holder, niet tot cassatie kan leiden. Anders dan waarvan het middel uitgaat is laatstbedoeld arrest niet van toepassing op personen die, zoals belanghebbende, geacht moeten worden hun beroepswerkzaamheden voorgoed te hebben gestaakt.

3.4. Ten aanzien van de vraag of de Duitse rente in belanghebbendes premie-inkomen kan worden begrepen, heeft het volgende te gelden.

3.4.1. Met betrekking tot de AOW, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten komen de uitkeringen die ingevolge de in het onderhavige jaar bestaande verzekeringsplicht aan belanghebbende zullen kunnen toekomen, geheel ten laste van de daartoe aangewezen Nederlandse fondsen. Geen rechtsregel staat mitsdien eraan in de weg belanghebbende voor genoemde volksverzekeringen overeenkomstig de nationale wetgeving als verzekerde aan te merken, en in de grondslag voor de te dier zake te heffen premie mede de door belanghebbende genoten Duitse rente op te nemen.

3.4.2. Ook voor de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: de AAW) is belanghebbende overeenkomstig de nationale wetgeving als verzekerde aan te merken, en dient de Duitse rente in het premie-inkomen te worden begrepen. De premie ten behoeve van deze verzekering kan evenwel niet ten volle worden geheven. Daarbij moet vooropgesteld worden dat, indien belanghebbende recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW, de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij ingevolge de WAO recht heeft, op de voet van artikel 46a, lid 1, (tekst 1986) van die wet slechts wordt uitbetaald, indien en voorzover deze het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW overtreft. De uitkering van Erwerbsunfähigkeitsrente ten laste van een orgaan van Duitsland brengt mee dat - ingevolge het bepaalde in artikel 52 van de WAO jo. het Koninklijk Besluit van 22 december 1972, Stb. 772, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (voorkoming of beperking van samenloop van uitkering ingevolge die wet met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid) en het bepaalde in artikel 43 van de AAW jo. het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1976, Stb. 526, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 43 van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (voorkoming of beperking van samenloop van uitkering ingevolge die wet met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid) - de uitkering waarop belanghebbende ingevolge de WAO - en al dan niet mede ingevolge de AAW - aanspraak heeft, slechts wordt uitgekeerd voor zover deze het bedrag van de Er werbsunfähigkeitsrente overtreft. Aangezien aldus een deel van de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, waarin voor wat Nederland betreft, voor zover de stukken van het geding uitwijzen, slechts wordt voor zien door de WAO, in feite ten laste komt van een orgaan van Duitsland, kan van belanghebbende, gelet op het hiervoor in 3.2.2 vermelde arrest - Noij, in zoverre geen premie ingevolge de AAW worden geheven. Een redelijke wetstoepassing brengt alsdan voor een geval als het onderhavige mee dat het bedrag van deze premie dient te worden verminderd met een deel, overeenkomstig de verhouding tussen het bedrag van de Duitse rente en het gezamenlijke bedrag van die rente en de resterende uitkering ingevolge de WAO.

3.5. Het hiervóór in 3.4 overwogene brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Naar de stukken van het geding uitwijzen is in de aanslag aan premie AAW f 703,-- begrepen, hetgeen meebrengt dat de aan slag, zoals die door het Hof is verminderd, verder moet worden verminderd met 14896/24435 x f 703,-- is f 428,--.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffie recht, vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, ver mindert de aanslag met f 428,-- plus f 93,--, derhalve in totaal met f 521,--, bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terug betaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van f 75,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van der Putt-Lauwers en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend grif fier Van Hooff, in raadkamer van 10 mei 1995.