Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1994:ZC1539

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-1994
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
8496
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1994:5
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Personen-en familierecht. Kinderalimentatie. Brengt het stelsel van de art. 1:392, 395 (a) en 397 BW een rangorde mee van de alimentatieverplichtingen indien meer personen (vader/stiefvader) op grond van bloed-of aanverwantschap tot het verstrekken van levensonderhoud gehouden zijn?

Uit de wetsgeschiedenis betreffende art. 1:392 BW blijkt dat de wetgever het niet gewenst heeft geoordeeld te bepalen dat de wettelijke alimentatieplicht van een stiefouder subsidiair is aan die van de ouders. In beginsel zijn derhalve de vader en de stiefvader beiden gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud aan de dochter. De rechter dient eerst vast te stellen of de draagkracht van beiden het betalen van een bijdrage toelaat. Indien zulks het geval is, moet de rechter vervolgens bij het vaststellen van de omvang van die bijdrage ingevolge art. 1:397 lid 2 behalve met ieders draagkracht, ook rekening houden met de bijzondere verhouding waarin ieder van beiden tot de gerechtigde staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1995, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 november 1994

Eerste Kamer

Rek.nr. 8496

Br.

Hoge Raad der Nederlanden


Beschikking

in de zaak van:

[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[de dochter] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 25 juni 1993 ter griffie van de Rechtbank te Assen binnengekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie – verder te noemen: de dochter – zich gewend tot die Rechtbank met verzoek te bepalen dat verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de vader – aan de dochter een bedrag van ƒ 500,-- per maand voldoet als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
Nadat de vader tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 16 november 1993 de beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 3 mei 1993 in die zin gewijzigd, dat de vader met ingang van 1 juli 1993 aan de dochter voor haar levensonderhoud en studie maandelijks een bedrag van ƒ 500,-- dient te voldoen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 23 maart 1994 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Assen van 16 november 1993, voor zover deze betrekking heeft op de periode na 5 juni 1994 vernietigd; in zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof bepaald dat de vader met ingang van 5 juni 1994 aan de dochter een bijdrage in het levensonderhoud en studie dient te voldoen tot een bedrag van ƒ 393,-- per maand en de beschikking voor het overige bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Van den Berge strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De dochter is op [geboortedatum] 1974 geboren uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en [de moeder] (hierna: de moeder).
De moeder is hertrouwd en heeft geen eigen inkomsten. De dochter woont bij haar moeder en stiefvader.
De dochter heeft naast de basisbeurs die zij op grond van de Wet op de Studiefinanciering ontvangt, behoefte aan een aanvullende bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

3.2 Het Hof heeft in rov. 4.5 overwogen:

"De vader heeft gesteld dat de dochter mede onderhouden kan worden door de moeder en de stiefvader. (…..).
Weliswaar is de stiefvader op grond van art.1:392 BW mede gehouden de dochter te onderhouden, doch in dit geval is de vader allereerst gehouden een bijdrage te verstrekken, nu tussen kinderen en ouders een nauwere verwantschap bestaat dan tussen kinderen en stiefouders.
Slechts indien de draagkracht van de vader onvoldoende is, dient de stiefvader bij te dragen (art. 1:397 BW)
".

Het middel bestrijdt dit oordeel primair met een rechtsklacht. Deze strekt, kort gezegd, ten betoge dat het Hof als algemene regel formuleert dat de stiefvader eerst dan dient bij te dragen indien de draagkracht van de vader onvoldoende is, zulks ten onrechte, aangezien het stelsel van de art. 1:392, 395, 395a en 397 BW geen rangorde van de alimentatieverplichtingen meebrengt indien meer personen op grond van bloed- of aanverwantschap tot het verstrekken van levensonderhoud gehouden zijn.
Deze klacht is gegrond.
Uit de wetsgeschiedenis betreffende art. 1:392 blijkt dat de wetgever het niet gewenst heeft geoordeeld te bepalen dat de wettelijke alimentatieplicht van een stiefouder subsidiair is aan die van de ouders (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 1, blz. 1442/1443).
In beginsel zijn derhalve de vader en de stiefvader beiden gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud aan de dochter. De rechter dient eerst vast te stellen of de draagkracht van beiden het betalen van een bijdrage toelaat; indien zulks het geval is, moet de rechter vervolgens bij het vaststellen van de omvang van die bijdrage ingevolge art. 1:397 lid 2, behalve met ieders draagkracht, ook rekening houden met de bijzondere verhouding waarin ieder van beiden tot de gerechtigde staat (vgl HR 22 april 1988 NJ 1989, 386 en HR 28 mei 1993 NJ 1994, 434).
De subsidiair aangevoerde motiveringsklacht komt dus niet aan de orde.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Hof te Leeuwarden van 23 maart 1994;
verwijst de zaak naar het Hof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 11 november 1994.