Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1994:AD2114

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-1994
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
96993
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1994:AD2114
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben van (meer dan 30 gram) hennep (meermalen gepleegd), art. 3.C Opiumwet. 1. Beroep op art. 11.4 Ow, inhoudende dat art. 11.2 Ow niet van toepassing is indien het gaat om niet meer dan 30 gram hennep. 2. Valt gehele hennepplant onder hennep a.b.i. Ow?

Ad 1. Uitgangspunt dat art. 11.4 Ow strafuitsluitingsgrond inhoudt, berust op onjuiste opvatting. Deze bepaling is slechts van belang voor beantwoording van vraag of in art. 11.2 Ow bedoelde handelingen misdrijf dan wel overtreding opleveren. V.zv. deze handelingen betrekking hebben op hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gram zijn zij, ook ingeval van opzet, niet ex art. 11.2 Ow als misdrijf strafbaar maar worden zij bestreken door art. 11.1 Ow.

Ad 2. Betoog dat onder hennep a.b.i. in bij Ow behorende lijst II niet begrepen kan worden gehele hennepplant maar slechts geoogste delen ervan v.zv. gewicht van 'werkzame bestanddelen' meer bedraagt dan 30 gram, vindt geen steun in het recht. Uit wetsgeschiedenis bij Ow volgt dat wetgever aanwezig hebben, dus ook verbouwen van hennepplanten, heeft verboden, tenzij art. 4 Besluit houdende uitvoering van art. 3a.1 Ow van toepassing is en hennep betreft welke kennelijk bestemd is voor winning van zaad of vezel of uitsluitend als windkering in land- en tuinbouw wordt gebruikt. Dat wetgever gehele hennepplant onder verbod heeft gebracht, ongeacht vraag of plant werkzame bestanddelen bevat, volgt met name ook uit memorie van toelichting. Uit voorgaande volgt dat hof verweer terecht en op goede gronden heeft verworpen. Bewezenverklaarde kan uit gebezigde b.m. worden afgeleid, terwijl het op juiste wijze is gekwalificeerd.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1994, 674
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 mei 1994

Strafkamer

nr. 96.993

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 februari 1993 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak van het in zaak A onder 3 telastegelegde en voorts in hoger beroep – behoudens ten aanzien van de strafoplegging – bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 3 oktober 1991, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld ter zake van A1., A2. en B. ‘’opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’’ en A4. ‘’opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’’. Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest en onttrekking aan het verkeer zoals in het vonnis is omschreven.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. J.G. Donk, advocaat te Amsterdam, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:

MIDDEL I.

Het recht is geschonden of verkeerd toegepast en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, doordat het Gerechtshof het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd en heeft bewezen verklaard dat rekwirant op 28 juni 1989 en 23 augustus 1991 (feit zaak A.1 en zaak B) te Amsterdam heeft aanwezig gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en op 7 september 1989 te Amsterdam een auto heeft beschadigd, terwijl deze feiten (zo al strafbaar) hebben plaatsgevonden op of bij een woonboot die afgemeerd lag in de gemeente Haarlemmermeer.

Toelichting:

Artikel 261 W.v.Sv. schrijft voor dat de dagvaarding een opgave behelst van (ondermeer) waar ter plaatse het feit begaan is, op straffe van nietigheid. De plaats waar het feit heeft plaatsgevonden staat echter onjuist in de dagvaarding vermeld. Het adres [a-straat 1] is gelegen in de gemeente Haarlemmermeer en niet in Amsterdam.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat ‘’het immers van algemene bekendheid is’’ dat de grens tussen voornoemde gemeenten zodanig loopt dat de Ringvaart is gelegen in de gemeente Haarlemmermeer en de oevers met inbegrip van de [a-straat] in de gemeente Amsterdam. Dit is onjuist.

De grens tussen Amsterdam en Haarlemmermeer loopt precies in het midden van de Ringvaart en de ene oever ligt in Amsterdam en de andere oever in de gemeente Haarlemmermeer. De (kant van de) oever waarvan de boot van rekwirant gelegen was lag in de gemeente Haarlemmermeer. Bovendien ‘’kruist’’ de [a-straat] de Ringvaart en zet deze zich voort in de gemeente Haarlemmermeer en in dat gedeelte was de boot gelegen. Het feit heeft zich derhalve voorgedaan aan de [a-straat] in de gemeente Haarlemmermeer.

MIDDEL II.

Het recht is geschonden of verkeerd toegepast en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, doordat het Gerechtshof het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd en heeft bewezen verklaard dat rekwirant op 28 juni 1989, op 4 september 1990 en op 23 augustus 1991 (feit zaak A.1 en 2 en zaak B) heeft aanwezig gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.

Toelichting:

De Opiumwet stelt inderdaad het opzettelijk aanwezig hebben van hennep strafbaar, doch kent daarop ook weer uitzonderingen. Een van de uitzonderingen is art. 11 lid 4 van de Opiumwet, die de strafbaarheid opheft voor hoeveelheden van ten hoogste 30 gram. Aangenomen dient te worden dat de uitzondering van art. 11 lid 4 van de Opiumwet betrekking heeft op het als verdovend middel bruikbare deel van hennepplanten.

Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 13 mei 1986, NJ 1986, 653. Nu slechts planten, bloeiende toppen en bloemtoppen zijn aangetroffen bij rekwirant kan onmogelijk worden vastgesteld dat deze meer dan 30 gram hennep hebben bevat en kan ook het telastegelegde niet bewezen worden.

Dit klemt te meer nu het rekwirant slechts om de zaadwinning ging en de planten en toppen niet opzettelijk het middel bevatten dat verdovend zou kunnen werken. Daar was het rekwirant ook beslist niet om te doen. Men zou kunnen zeggen dat het hierbij ging om een onontkoombaar bijprodukt bij de door hem beoogde zaadwinning.

Vragen die daarbij tevens gesteld kunnen worden zijn:

Welk doel wordt beoogd met het ‘’verbod op hennep’’?

Hoe wordt het gewicht bepaald van ‘’hennep’’?

Is het bezit van 31 gram waardeloze hennepbladeren ook strafbaar volgens de artt. 3 en 11 van de Opiumwet?

Hoe zijn de ‘’deskundigen’’ tot hun oordeel gekomen over het gewicht van de ‘’aanwezige hennep’’ op genoemde tijdstippen?

Zijn schattingen daarbij – gegrond op eerdere ervaringen bij andere personen – voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen?

De konklusie dient te luiden dat zowel de omschrijving in art. 3 en 11 alsmede van lijst II van de Opiumwet veel vragen oproept en openlaat. Het is duidelijk de bedoeling geweest slechts het bezit (etc.) van verdovende middelen, danwel op zijn minst werkzame bestanddelen strafbaar te stellen. Dat kan hooguit gedaan worden, nadat deze middelen ‘’geoogst’’ zijn, als zodanig herkenbaar zijn en ook gewogen kunnen worden.

Het is niet zeker dat iedere plant (maar ook niet ieder bloemknop) werkzame bestanddelen bevat. Enerzijds omdat de kwaliteit inferieur kan zijn en anderszijds omdat die bestanddelen al verwijderd zijn. Iedere teelt – voor welk doeleinde dan ook – brengt bijna automatisch werkzame bestanddelen met zich mede.

Een en ander is echter pas strafbaar indien deze bestanddelen ook ‘’geoogst’’ zijn, als zodanig herkenbaar zijn of indien deze als ‘’eindproduct’’ aanwezig is. Kortom het opzettelijk aanwezig gehad hebben van werkzame bestanddelen hennep van meer dan 30 gram zal bewezen dienen te worden en dat is uit de bewijsmiddelen niet zondermeer rechtstreeks af te leiden.

Geen van die feitelijkheden is geconstateerd en op die wijze kan niet tot een bewezenverklaring gekomen worden. Het louter aanwezig hebben van planten of delen van planten is daartoe niet voldoende. Bovendien kan uit de tekst van lijst II bij de Opiumwet geconstateerd worden dat gehele planten zondermeer buiten die Wet vallen (slechts delen van planten).

MIDDEL III.

Het recht is geschonden of verkeerd toegepast en/of vormen zijn verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, doordat het Gerechtshof het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd en heeft bewezen verklaard dat rekwirant op 28 juni 1989, op 4 september 1990 en op 23 augustus 1991 (feit zaak A.1 en 2 en zaak B) heeft aanwezig gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, die niet valt onder de uitzonderingsbepalingen van art. 3a van de Opiumwet (en van art. 4 van het Besluit van 18 oktober 1976 (Stb. 509)).

Toelichting:

De Opiumwet stelt inderdaad het opzettelijk aanwezig hebben van hennep strafbaar, doch kent daarop ook weer uitzonderingen. Een van de uitzonderingen is art. 3a lid 1 van de Opiumwet jo. het Besluit van 18 oktober 1976, Stb. 509, die de strafbaarheid van art. 3, onder C van de Opiumwet weer opheft voor hennep welke kennelijk is bestemd voor de winning van zaad of vezel of uitsluitend als windkering in de land- en tuinbouw wordt gebruikt.

Rekwirant heeft terecht gestaan, omdat hij een of meerdere malen (al dan niet opzettelijk) een hoeveelheid hennepplanten aanwezig zou hebben gehad op 28 juni 1989, 4 september 1990 en 23 augustus 1991. Dit feit is opzich echter niet strafbaar, zonder dat ook niet bewezen is dat er van een van de uitzonderingen, vermeld in art. 3a van de Wet geen sprake is of kan zijn.

Het kweken van planten voor afscheidingen, vezelprodukten en ook zaadwinning is niet strafbaar en slechts de kweek van hennepplanten voor geestverruimende stoffen wel.

Dat onderscheid zal goed gemaakt moeten worden en het Hof had dan ook alleen maar bewezen mogen verklaren, dat de opzettelijke aanwezigheid van hennepplanten, zoals omschreven in de dagvaarding op die data ook daadwerkelijk bestemd was voor de produktie van geestverruimende stoffen en niet voor zaadwinning bestemd kon zijn.

Derhalve voor alle zekerheid:

niet hetgeen waarschijnlijk is of voor de hand ligt, maar slechts hetgeen onomstotelijk bewezen zal kunnen worden is strafbaar. Een andere uitleg die ook denkbaar is dient tot vrijspraak te leiden (‘’Meer en Vaart’’-verweer).

Aangetroffen zijn slechts gehele planten in verschillende stadia van groei en restanten van de bewerking van die planten (het normale produktieproces). Ook voor de zaadwinning is het namelijk nodig dat planten gedroogd worden en na en tijdens de zaadwinning hangen er dan ook planten te drogen.

Immers lijst II, behorend bij de Opiumwet stelt als eis dat de hars aan de planten onttrokken dient te worden om niet onder de Opiumwet te vallen – en derhalve niet strafbaar te zijn – en dat was de bedoeling van rekwirant. Dit proces brengt dan ook met zich mede dat er plantenresten overblijven en aanwezig zijn.

Alle hars daarbij verwijderen is onmogelijk. Een zeer klein restant blijft echter altijd aanwezig doch de wetgever heeft uitdrukkelijk bedoeld dit niet strafbaar te stellen (althans niet als misdrijf) in de Opiumwet.

Door het Gerechtelijk Laboratorium is op 19 mei 1992 in een anderer zaak van rekwirant (zaaknr 92.04.09.012) een rapport opgemaakt (door A.J. Poortman-van der Meer en Dr. H. Huizer) waarin uitdrukkelijk vermeld staat (onder het kopje ‘’overweging’’):

‘’Het onomstotelijk vaststellen van de bedoeling van de kweek aan de hand van het onderzoeksmateriaal is niet mogelijk, mede omdat de hennepkweek zowel leidt tot de vorming van zaad en tegelijkertijd tot een product dat bruikbaar is als verdovend middel. Zelfs het feitelijke winnen van het zaad levert als restproduct een plantenmateriaal dat bruikbaar is als verdovend middel’’.

En dat is nu juist waar het in deze procedure om gaat. Zelfs indien men zich strikt aan de wet zou houden – en rekwirant was niets anders van plan en heeft ook nooit iets anders gewild – dan nog houdt men als bijproduct van zaadkweek het bezit van enige (kleine hoeveelheden) geestverruimende stof over.

Zelfs een ‘’kale’’ plant, waarmee nog niets gedaan is en die ook niet bevrucht is, bevat een (kleine) hoeveelheid van die stof en dat is dan ook nooit te voorkome.

Met de gehele planten kan men – uiteraard – nog alle kanten op en dat is nu juist de kern van de zaak. Zolang niet vaststaat wat er werkelijk met die planten gebeuren zal, kan ook niet bewezen worden, wat de plannen van rekwirant hiermee waren. Bij wijze van spreken kon hij – theoretisch – eerst andere plannen gehad hebben, doch tussentijds zijn mening gewijzigd hebben. Zolang het slechts om (gehele) planten gaat zal dan ook geen strafbaar feit bewezen kunnen worden. Hetzelfde geldt voor restanten van planten.

Ook op andere gronden had niet tot een veroordeling gekomen mogen worden. Verboden is slechts om middelen, voorkomend op de bij de Opiumwet behorende lijst II – kortweg – aanwezig te hebben. Op deze lijst II staat slechts vermeld: ‘’Hennep’’ en ‘’Gebruikelijke vaste mengsels’’. Onder ‘’hennep’’ wordt dan mede begrepen elk deel van de plant van het geslacht Cannabis, waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.

Het begrip ‘’hennep’’ wordt in de Opiumwet en bijlagen verder niet nader omschreven. Nu staat het echter wel vast dat op de betreffende kweekplaatsen slechts gehele planten en plantenrestanten zijn aangetroffen. In de processen-verbaal van de verschillende invallen door de politie staat dit duidelijk vermeld.

Er werden slechts hennepplanten in verschillende groeistadia, plantenrestanten en restprodukten in zeer geringe hoeveelheden aangetroffen. In de Opiumwet is uitdrukkelijk het aanwezig hebben van het middel ‘’hennep’’ strafbaar gesteld en niet de aanwezigheid van hennepplanten. In een nadere omschrijving is slechts sprake van delen van de plant en niet van de gehele plant. Dat lijkt ook logisch omdat met de gehele plant nog alle kanten opgegaan kan worden – inklusief het stekken en zaadwinning – en met delen van de plant minder.

Rekwirant houdt vol, dat het hem – ook op de in de dagvaarding genoemde data – slechts om de zaadwinning en zaadveredeling ging. Daarin is hij een expert, dat heeft hij ook steeds gedaan en daar heeft hij ook zijn beroep van gemaakt. Hij gebruikt daarbij onkonventionele methoden, die kennelijk nog niet door iedereen geaccepteerd wordt, maar dat gebeurt wel meer bij pioniers

Hij kweekt zaden zonder aanwezigheid van mannelijke planten – zogenaamde hermaphrodiete zaden – waarbij de vrouwelijke planten tot zelfbevruchting komen. Deze methode brengt zaden op van een veel hogere kwaliteit, waarmee ook weer verder gekweekt kan worden.

Deze zaden zijn zuiverder, beter bruikbaar en dus ook kostbaarder en daar is het rekwirant om te doen. De opbrengst van deze zaden kan oplopen tot f 20,== per stuk en is dus zeer winstgevend.

De gehoorde (Nederlandse) deskundigen – die eigenlijk minder deskundig zijn dan rekwirant zelf – denken hier anders over. Zij zijn onzeker, leggen verschillende verklaringen af, maar weten het eigenlijk ook niet. Zij achten de methode van rekwirant niet doeltreffend en wantrouwen het maar zij weten het ook niet zeker en sluiten deze methode ook weer niet geheel uit.

Rekwirant is het hier niet mee eens en hij verwijt ook deze deskundigen onzorgvuldigheid. Indien zij serieus op het door hem gestelde waren ingegaan en de planten langer had laten staan, onder de juiste omstandigheden, dan had rekwirant zijn gelijk kunnen bewijzen. De planten daarentegen zijn echter vernietigd en daarmee zijn de bewijsmogelijkheden van rekwirant teniet gedaan.

Dat zijn wijze van zaadwinning wel degelijk mogelijk is, wordt onomstotelijk bewezen door ‘’echte’’ deskundigen (die helaas in Nederland niet aanwezig zijn), die deze wijze van zaadwinning ook omschrijven. Rekwirant is hiermee aan het experimenteren gegaan, doch wordt hier in Nederland niet begrepen.

Rekwirant wil dan ook hierbij verwijzen naar 2 artikelen die over zijn wijze van zaadwinning geschreven zijn in wetenschappelijke tijdschriften en die zijn gelijk zonneklaar bevestigen. Deze experts zijn ook verbonden aan de Verenigde Naties, die uiteindelijk ook verantwoordelijk zijn voor het huidige beleid op het gebied van soft-drugs en zaadwinning (zie m.n. blz. 32 tot en met 34 van het 1e artikel).

Hoewel deze wijze van zaadwinning dus volgens experts mogelijk is, wordt dit door de Nederlandse justitie voor rekwirant onmogelijk gemaakt. Dit komt mede door de onduidelijke wijze van wetgeving, zoals vastgelegd in het Besluit van 18 oktober 1976 (Stb. 509), waarin sprake is van ‘’kennelijk is bestemd’. Omdat in Nederland die kennis niet voorhanden is, wordt dit moeilijk aantoonbaar.

Vragen hierbij zijn dan ook:

Wat is kennelijk bestemd en voor wie moet dat kenbaar zijn?

Wat is kennelijke zaadproductie, als er zaden aanwezig zijn of als er in voldoende mate zaden aanwezig zijn?

En zo ja, waar ligt dan het ‘’omslagpunt’’ bij 5 zaden, bij 100 zaden of welk aantal en wat wordt er gedaan met mislukte experimenten (kennelijk niet bestemd)?

Is er sprake van zaadwinning als er planten (of delen van planten) te drogen hangen (een onmiskenbaar onderdeel van de zaadwinning) of mag dit ook op een andere wijze uitgelegd worden in het nadeel van een verdachte?

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1.

Ten laste van de verdachte is voor zover voor de beoordeling van middelen van belang bewezenverklaard dat:

A.1. hij op 28 juni 1989 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep;

A.2. hij op 4 september 1990 te [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep;

B. hij op 23 augustus 1991 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.

4.2.

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

ten aanzien van het onder A1 subsidiair telastegelegde

A1.1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Deze verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:

Op 28 juni 1989 bevonden zich in een kas bij mijn woonboot te Amsterdam hennepplanten.

A.1.2. Een proces-verbaal nummer E-0050-424/1989 d.d. 30 juni 1989, op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoofdagenten-rechercheurs van gemeentepolitie te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – als verklaring van verbalisanten:

Naar aanleiding van bij de chef van het Bureau Criminele Inlichtingendienst binnengekomen informatie dat er vanuit perceel [a-straat 1] , woonboot [...] , te Amsterdam gehandeld zou worden in verdovende middelen is er op 28 juni 1989 een gerichte aktie gestart op genoemd perceel.

Bij het onderzoek in voornoemde woonboot werden de navolgende stoffen en/of goederen aangetroffen: in de woonkamer een plastic vuilniszak vol met toppen van het geslacht Cannabis, op de stelling een prop kranten met gedroogde plantentoppen en op de tafel bij de keuken een plastic doos inhoudende gedroogde plantentoppen.

Op het terrein van genoemd perceel werden de navolgende goederen en/of stoffen in beslag genomen: 85 bakken met drie planten, 89 bakken met drie planten, twaalf bakken met zesentwintig plantjes en drie grote planten, zeven vuilniszakken met gedroogde bloemtoppen.

De inbeslaggenomen goederen droeg ik over aan de politiedeskundige drs. R. Jellema.

A1.3. Een rapport van de gemeentepolitie Amsterdam, recherchedienst, bureau TOHD, afd. Laboratorium, nummer 1568N89 d.d. 19 juli 1989, opgemaakt door drs. R. Jellema, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed.

Dit rapport houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in – zakelijk weergegeven –:

Op 29 juni 1989 ontving ik van hap. rech. [verbalisant 2] :

A/1 een monster bestaande uit 4 grote planten, afkomstig uit een kas met totaal 267 grote planten;

A/2 een monster bestaande uit 4 kleine planten, afkomstig uit een kas met totaal 255 kleine planten;

B 14,3 kg afgeknipte volgroeide bloeiende toppen die hingen te drogen in een schuurtje;

C 816 g bloemtoppen die lagen te drogen in het onder B genoemde schuurtje;

Het materiaal ad A/1, A/2, B en C bestaat uit hennep zoals vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet.

Nieuwe planten worden verkregen door stekken van geselecteerde vrouwelijke planten. Bij deze manier van telen zijn mannelijke planten overbodig. Er vindt geen zaadvorming plaats waardoor de vrouwelijke planten meer bloemen en hars gaan vormen.

ten aanzien van het onder A2 subsidiair telastegelegde

A2.1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Deze verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:

Op 4 september 1990 verbouwde ik in [woonplaats] hennepplanten.

A2.2. Een proces-verbaal nummer 040990 0801/0811 2524 d.d. 27 september 1990, op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 3] , adjudant technisch rechercheur der rijkspolitie en [verbalisant 4] , wachtmeester 1e klas der Koninklijke Marechaussee – technisch rechercheur – onbezoldigd ambtenaar der rijkspolitie, beiden behorende tot de afdeling technische recherche in het district Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – als verklaring van verbalisanten:

Op 4 september 1990 hebben wij op verzoek van de groepscommandant der rijkspolitie te [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van cannabisplanten in twee kassen te [woonplaats] . Tijdens het onderzoek was dr. H. Huizer, apotheker van het Gerechtelijk Natuurkundig Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk aanwezig.

De rechterkas was ingericht voor het kweken van cannabisplanten. In de kas werden representatieve monsters voor nader onderzoek veiliggesteld. Deze monsters zijn overgedragen aan H. Huizer voornoemd.

Gezien de aangetroffen situatie in de kassen en het onderzoek door het Gerechtelijk Natuurkundig Laboratorium kan onder meer geconcludeerd worden dat:

- er op professionele wijze cannabisplanten werden gekweekt;

- het drogen van die planten niet ten behoeve van de zaadwinning plaatsvond;

- in de kas circa 2800 planten zijn gekweekt;

- circa 36 gram top per plant geoogst werd hetgeen totaal op circa 2800 x 36 gram = 100800 gram top geoogst kon worden;

- het gehalte van de THC waarde als bijzonder hoog kan worden aangemerkt.

A2.3. Een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk nummer 90.09.04.033/160 d.d. 19 september 1990, opgemaakt door dr. H. Huizer, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed.

Dit rapport houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in – zakelijk weergegeven – :

Op 4 september 1990 bezocht ik op verzoek en in aanwezigheid van [verbalisant 3] van de technische rechercheur rijkspolitie Amsterdam een kas te [woonplaats] .

Ter nader onderzoek werd naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk overgebracht:

I. monster uit werkbak met gereed produkt;

II. monster uit ter ‘’topping’’ gereedstaande bak;

IV. monster uit droogkamer;

V. 5 planten uit droogkamer;

v. een plant uit het veld; de kas.

j. een joint waarin circa 0,9 hennep.

Bij heet microscopisch onderzoek werden voor hennep kenmerkende botanische elementen gevonden.

Conclusie: er vond kweek en bereiding en/of verwerking van hennep plaats. De gehele opzet, alsmede de waargenomen winning van de toppen passen niet bij hennepteelt voor zaadproduktie.

ten aanzien van het onder B telastegelegde

B.1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Deze verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:

Het klopt dat ik op 23 augustus 1991 bezig was met het verbouwen van hennepplanten in mijn kas te Amsterdam.

B.2. Een proces-verbaal nummer 661.00.717.91 d.d. 23 augustus 1991, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier van gemeentepolitie te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – als verklaring van verbalisant:

Naar aanleiding van binnengekomen ambtsberichten dat in een kas, gelegen aan de [a-straat 1] te Amsterdam hennep ten behoeve van de produktie van hasj dan wel marihunana zou plaatsvinden, ben ik vergezeld van een aantal collega’s binnengetreden in genoemde kas. Verdachte van het hierboven omschreven strafbare feit is [verdachte] die in de kas werd aangetroffen en aangehouden.

In de kas werd door mij aangetroffen een beplante ruimte van ongeveer 240 vierkante meter. Deze beplante ruimte was gevuld met ongeveer 1675 onbevruchte vrouwelijke hennepplanten.

Na bemonstering door de politiedeskundige drs. R. Jellema zijn deze overgebracht naar de afvalverbranding Noord te Amsterdam.

B.3. Een rapport van de gemeentepolitie Amsterdam, recherchedienst, bureau TOHD, afd. Laboratorium, nummer 1516N91 d.d. 2 september 1991, opgemaakt door drs. R. Jellema, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed.

Dit rapport houdt als verklaring van voornoemde deskundige onder meer in – zakelijk weergegeven – :

Op 23 augustus 1991 heb ik in opdracht van [verbalisant 5] monsters genomen in een kas met planten.

Het materiaal bestaat uit hennep zoals vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet.

Gezien de afwezigheid van stuifmeelkorrels is bevruchting en dus zaadvorming twijfelachtig.

5. Motivering van de strafbaarheid van de feiten

Bij het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank, heeft de Rechtbank omtrent de strafbaarheid van de feiten overwogen:

5. De strafbaarheid van de feiten.

De raadsman heeft aangevoerd dat de hennepteelt van verdachte niet gericht is op de hash-handel maar op zaadhandel, zodat verdachte met een beroep op artikel 4 van het Besluit van 18 oktober 1976 (Stb. 509) straffeloos is en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat uit het onderzoek niet aannemelijk is geworden dat de hennepteelt ‘’kennelijk is bestemd voor de winning van zaad’’, zoals omschreven in de uitzonderingsbepaling waarop de raadsman een beroep doet.

Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen omtrent aard en omvang van de hennepteelt en de daarbij gevolgde werkwijze is komen vast te staan en hetgeen over een en ander door de getuige-deskundigen dr. H. Huizer en drs. R. Jellema bij verslaglegging en ter zitting is verklaard.

De bewezen geachte feiten zijn derhalve volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Beoordeling van het eerste en van het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van rechtsontwikkeling.

7. Beoordeling van het tweede middel

7.1.

Bij het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank heeft de Rechtbank een ter terechtzitting gevoerd verweer, hetwelk in hoger beroep is herhaald, als volgt samengevat en verworpen:

De raadsman heeft tevens aangevoerd dat blijkens het arrest van het Hof 's Hertogenbosch van 13 mei 1986, NJ 1986, 653, de strekking van de wet meebrengt dat de in artikel 11 lid 4 van de Opiumwet bedoelde hoeveelheid betrekking heeft op het als verdovend middel bruikbare gedeelte van hennepplanten.

In de rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium zijn de hoeveelheden hennep onvoldoende gespecificeerd.

Niet duidelijk is of er sprake is van verse en gedroogde planten of onderdelen daarvan.

Nu niet onaannemelijk is dat een gedeelte van de hennep voor zaadwinning werd gebruikt, kan niet worden nagegaan of het gedeelte van de planten waaraan bruikbaarheid als verdovend middel kan worden toegekend, een gewicht van 30 gram overschrijdt. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het telastegelegde, met uitzondering van feit A4.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de wettelijke omschrijving waarin onder hennep wordt begrepen ‘’elk deel van de plant van het geslacht Cannabis waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden’’, doet het niet terzake of het gaat om de hele plant of het gedeelte van de plant dat geschikt is voor consumptie. Gezien de grote hoeveelheden hennepplanten die telkens in beslag zijn genomen is het alleszins aannemelijk dat zij telkens in gewicht de 30 gram te boven gaan.

7.2.1.

Art. 3 Opiumwet houdt in:

‘’Het is verboden de middelen, vermeld op de bij deze wet behorende lijst II

(…)

C. aanwezig te hebben’’.

7.2.2.

Lijst II behorende bij de Opiumwet behelst:

‘’Hennep waaronder wordt begrepen elk deel van de plant van het geslacht Cannabis, waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.

(…)’’.

7.2.3.

Art. 11 Opiumwet luidt als volgt:

‘’ - 1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

- 2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en een geldboete van de vierde categorie, hetzij met één van deze straffen.

(…)

- 4. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit een hoeveelheid betreft van de in artikel 3 bedoelde middelen van ten hoogste 30 gram’’.

7.3.

Vooropgesteld zij dat, voor zover het middel ervan uitgaat dat art. 11, vierde lid, Opiumwet een strafuitsluitingsgrond inhoudt, dit uitgangspunt op een onjuiste opvatting berust. De zojuist genoemde bepaling is slechts van belang voor de beantwoording van de vraag of de in het tweede lid van artikel 11 Opiumwet bedoelde handelingen een misdrijf dan wel een overtreding opleveren; voor zover deze handelingen betrekking hebben op een hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gram zijn zij, ook ingeval van opzet, niet ingevolge art. 11, tweede lid, Opiumwet als misdrijf strafbaar, maar worden zij bestreken door het eerste lid van dit artikel.

7.4.

Het middel, strekt in zijn kern ten betoge dat onder hennep, zoals aangeduid in de bij de Opiumwet behorende lijst II, niet begrepen kan worden de gehele hennepplant, maar slechts de geoogste delen ervan voor zover het gewicht van de ‘’werkzame bestanddelen’’ meer bedraagt dan 30 gram.

Voor dit betoog is geen steun te vinden in het recht. Gelijk volgt uit de wetsgeschiedenis, welke ten grondslag ligt aan de Opiumwet zoals deze is gewijzigd bij Wet van 23 juni 1976, met de daarbij behorende Lijst II, (Stb. 1976, 424) heeft de wetgever het aanwezig hebben, dus ook het verbouwen van hennepplanten verboden, tenzij art. 4 van het Besluit van 18 oktober 1976, houdende uitvoering van artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet (Stb. 1976, 509) van toepassing is en het hennep betreft welke kennelijk bestemd is voor de winning van zaad of vezel of uitsluitend als windkering in de land- en tuinbouw wordt gebruikt. Dat de wetgever de gehele hennepplant onder het verbod heeft gebracht, ongeacht de vraag of de plant werkzame bestanddelen bevat, volgt met name ook uit de MvT, Kamerstukken II 1974–1975, 13 407, nr. 3, blz. 17, voor zover inhoudende:

Met betrekking tot de hennepprodukten die voorkomen op lijst II wordt in het wetsontwerp geen onderscheid gemaakt naar gelang het THC-gehalte, daar het ondoenlijk is dit gehalte bij de opsporing vast te stellen. De gewichtshoeveelheid van 30 gram in het ontworpen artikel 11 bepaalt de grens tussen overtreding en misdrijf. De vaststelling van deze grens is geschied op grond van opsporingstechnische overwegingen. Tevens wordt met de gekozen hoeveelheid van 30 gram beoogd de bezitsoverdracht tussen gebruikers binnen de overtredingssfeer te houden.

7.5.

Uit het vorenoverwogene volgt dat in het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank het verweer terecht en op goede gronden is verworpen. Het bewezenverklaarde kan, anders dan het middel stelt uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, terwijl het op de juiste wijze is gekwalificeerd. Het middel faalt dus.

8. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

9. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, in bijzijn van de waarnemend-griffier Van Wijk, en uitgesproken op 31 mei 1994.