Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1994:AA3013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
30079
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 15, geldigheid: 1994-11-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/22
FED 1994/751
FED 1995/9
WFR 1994/1816
V-N 1995/87, 28

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 december 1993 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1990 opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van het recht van erfpacht van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 1.209,-- zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 1.140,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen. 3.1. In geschil is de vraag of voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, letter o, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer de in de onderhavige verkrijging begrepen bedrijfsruimten ten opzichte van de verkregen woningen kunnen worden aangemerkt als bijbehorende gebouwen in de zin van artikel 60, tweede lid, onder c, van de Woningwet 1962. 3.2. Het Hof heeft zijn ontkennende beantwoording van die vraag onder meer gebaseerd op de omstandigheid dat de bedrijfsruimten functioneel niet dienstbaar zijn aan de bovengelegen woonruimten maar als afzonderlijke units worden verhuurd. Het Hof heeft aldus zijn oordeel kennelijk gebaseerd op de opvatting dat de in 3.1. vermelde vraag slechts bevestigend kan worden beantwoord indien bedrijfsruimten deel uitmaken van een woonbedrijfspand. Hieromtrent heeft het volgende te gelden. In materieel opzicht vormt de onderhavige vrijstelling de voortzetting van de vrijstelling van artikel 101, letter b, van de Registratiewet 1917. Die vrijstelling betrof de overdracht van onroerende zaken aan onder meer de in de Woningwet 1901 bedoelde instellingen, indien "de overdracht geschiedt in het belang van volkshuisvesting". Dit belang dient derhalve ook nog centraal te staan bij de uitlegging van de vrijstelling. Nu de wetgever het begrip "bijbehorende gebouwen" niet nader heeft toegelicht, maar uit geschiedenis van de totstandkoming van de Woningwet 1901 blijkt dat de uitdrukking volkshuisvesting in haar ruimste betekenis behoort te worden opgevat en dat zij zo algemeen mogelijk moet luiden (Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, 1900-1901, 34, nr. 1, blz. 14) - uit de totstandkoming van de voor het onderhavige jaar geldende Woningwet 1962 blijkt niet dat aan het begrip volkshuisvesting een beperktere betekenis moet worden toegekend - valt niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat sprake is van zelfstandige bedrijfsruimten, reeds moet meebrengen dat niet sprake is van in het belang van de volkshuisvesting verkregen bijbehorende gebouwen. 's Hofs opvatting kan derhalve niet als juist worden aanvaard. 3.3. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek van belanghebbendes stelling, waarvan het Hof de juistheid in het midden heeft gelaten, dat bij de onderhavige verkrijging het belang van de volkshuisvesting voorop heeft gestaan. Deze stelling kan niet anders worden opgevat dan dat aan de bedrijfsruimten, van welke niet is vastgesteld dat belanghebbende deze in eigen gebruik wenste te nemen, in het geheel van de verkrijging slechts een ondergeschikte betekenis toekomt. Bij juistbevinding van deze stelling heeft belanghebbende recht op de gevraagde vrijstelling. Immers, onder die omstandigheden moeten de bedrijfsruimten worden gerekend tot de bijbehorende gebouwen in de zin van artikel 60, lid 2, onder c van de Woningwet 1962.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiƫn aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van f 300,-- en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 16 november 1994.

De beslissing is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 1994.