Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1994:AA3004

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29893
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8, geldigheid: 1994-11-09
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13, geldigheid: 1994-11-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1997/113
FED 1994/720
FED 1995/88
WFR 1994/1747
V-N 1994/3782, 25

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 augustus 1993 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het boekjaar 1982/1983 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 2.309.567,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur tot op 25 percent is kwijtgescholden. Belanghebbende is tegen die navorderingsaanslag en dit besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd zonder de daarin begrepen verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende maakt deel uit van de A groep. Zij heeft in 1979 en 1983 van een op Curaçao gevestigde zustervennootschap renteloze leningen verkregen, waarmee zij een buitenlandse deelneming heeft gefinancierd. 3.1.2. Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat de niet in rekening gebrachte rente als informele kapitaalstorting moet worden aangemerkt en daartegenover bij de fiscale winstberekening in aftrek kan worden gebracht.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat indien belanghebbende daadwerkelijk rente op de leningen zou hebben betaald, die rente ingevolge artikel 13, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals die wet destijds luidde, niet in aftrek op het fiscale resultaat kan komen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat waar deze als normaal veronderstelde betaling van rente - ingevolge voornoemde bepaling - niet haar plaats kan vinden bij de fiscale winstbepaling, evenmin bij niet-betaling van de rente, op informele wijze, een kapitaalstorting tot uitdrukking kan worden gebracht die voor de fiscale winstbepaling van betekenis kan zijn. Het middel, dat zich tegen laatstgenoemd oordeel keert, faalt, aangezien geen grond bestaat voor aftrek van niet betaalde rente die, indien zij wel was betaald, ingevolge voormeld artikel 13, lid 4, niet in aftrek zou komen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde en Bellaart, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 9 november 1994.