Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1994:AA2987

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-11-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29675
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NV 1994, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 april 1993 betreffende de haar voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar belastbaar bedrag van f 148.009,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hof d uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep betreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 3.1.1. Belanghebbende heeft als statutaire doelstelling het beleggen in effecten, roerende en onroerende zaken, waaronder schuldvorderingen, het bemiddelen bij financieringen, het deelnemen in, besturen van, of zich financieel of anderszins te interesseren bij vennootschappen en/of ondernemingen. 3.1.2. Belanghebbende had belangen in de volgende vennootschappen: - tot 1 januari 1985: 19% in A S.A. te Q (België); - tot 15 januari 1987: 16,5% in B B.V.; - tot 16 februari 1987: 16% in C B.V.. Voorts heeft belanghebbende zich in 1986 gedurende enkele maanden bezig gehouden met het in lease verstrekken van twee personenauto's. 3.1.3. Tot 28 februari 1987 was D enig aandeelhouder van belanghebbende en tot 3 maart 1987 tevens haar onbezoldigd directeur. Daarnaast was D bezoldigd directeur van B. 3.1.4. Op 15 januari 1987 heeft belanghebbende haar aandelen B verkocht aan E N.V.. Belanghebbende ontving daarvoor als koopsom f 1.980.000,-- in contanten en 107.250 aandelen E (= 0,5% van het aandelenkapitaal E). D bleef na 15 januari 1987 werkzaam als directeur bij B. 3.1.5. Op 16 februari 1987 verkocht belanghebbende haar aandelen E en C aan D. Belanghebbende realiseerde op de aandelen E een koersverlies van f 42.900,--. 3.1.6. Op 28 februari 1987 zijn de aandelen in belanghebbende verkocht aan de F B.V. 3.1.7 Naast het hiervóór in 3.1.5 genoemde koersverlies van f 42.900,-- werd door belanghebbende in de periode van 1 januari 1987 tot en met 28 februari 1987 een rentewinst van f 14.518,-- behaald en werden f 97,-- kosten gemaakt, zodat over genoemde periode per saldo verlies van f 28.479,-- werd geleden, waartegenover in de periode van 1 maart 1987 tot en met 31 december 1987 een winst van f 148.009,-- werd behaald. 3.1.8. Belanghebbende had uit jaren vóór 1987 nog een compensabel verlies van f 3316,--.

3.2. In geschil is of artikel 20, lid 5, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in de weg staat aan verrekening van de eerdergenoemde verliezen van f 28.479,-- en f 3316,-- (totaal f31.795,--) met eerdergenoemde winst van f 148.009,--. Deze vraag is door het Hof, in het nadeel van belanghebbende, bevestigd beantwoord. Daartegen richten zich de middelen. Zij betogen ondermeer dat belanghebbende geen onderneming dreef en het Hof daarom ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende haar onderneming heeft gestaakt, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.3. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kunnen de hiervóór in 3.1 vermelde feiten, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat de activiteiten van belanghebbende niet uitsluitend waren gericht op het passief houden van aandelen en dat zij die aandelen niet enkel aanhield ter verkrijging van de waardestijging en het rendement, die daarvan bij normaal vermogensbeheer konden worden verwacht. Hierbij verdient opmerking dat het gedurende enkele maanden in lease verstrekken van twee auto's door belanghebbende in het geheel van haar activiteiten en ook op zich zelf bezien van ondergeschikte betekenis was. Een en ander houdt in dat belanghebbende geen onderneming in de zin van voornoemde wetsbepaling dreef, zodat de middelen in zoverre doel treffen. Uit het vorenverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastinghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 116.214,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van f 300,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75,--, derhalve in totaal f 375,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 9 november 1994.