Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1994:AA2975

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-11-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
28639
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1995/102 met annotatie van G. Slot
FED 1995/100
FED 1994/775
WFR 1994/1855, 1
V-N 1994/4015, 9 met annotatie van Redactie
NV 1995, 9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 september 1991 betreffende de haar voor het jaar 1983 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1983 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 41.612.080,--. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal Verburg heeft op 21 december 1993 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en tot verwijzing naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is importeur van automobielen van het merk A. Zij wenst bij de berekening van de jaarlijkse winst haar voorraad auto's te waarderen volgens een ijzeren-voorraadstelsel. Zij onderscheidt daartoe haar voorraad in een aantal modelgroepen, bij het einde van het onderhavige jaar 15, en bepaalt voor elke modelgroep de in aanmerking te nemen basisprijs volgens een aantal regels die, in de omschrijving die belanghebbende daarvan heeft gegeven, zijn weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.11.1 tot en met 3.11.7 van de uitspraak van het Hof. Behoudens één uitzondering bestonden per modelgroep verschillende uitvoeringen, in aantal variërend van 2 tot 34. De inkoopwaarde van de auto's in een modelgroep kon, volgens de in rechtsoverweging 3.15 van de uitspraak van het Hof vermelde gegevens, sterk verschillen. In modelgroep II (34 uitvoeringen) was de hoogste inkoopwaarde 224%, en na een door belanghebbende voorgestelde wijziging van de toe te passen regels met betrekking tot de omvang van de modelgroep nog 151%, van de laagste inkoopwaarde; ook in andere modelgroepen kwamen grote verschillen voor. In genoemde modelgroep II kwamen technisch en naar uiterlijk sterk verschillende auto's voor: verschillende modellen dieselauto's, tweedeurs en vierdeurs benzine-auto's met motoren van 1,3 tot 1,8 liter, en auto's met verschillende carrosserievormen, waaronder coupé's en stationcars.

3.2. De Inspecteur heeft het door belanghebbende gevolgde stelsel niet aanvaard en heeft de ultimo 1983 ingevolge dat stelsel opgevoerde voorzieningen aan de winst van dat jaar toegevoegd.

3.3. Het Hof heeft, verkort weergegeven, geoordeeld dat na verloop van tijd auto's die onder een bepaalde naam en type-aanduiding op de markt worden gebracht, ten gevolge van (onder meer) de technische ontwikkelingen zodanig verschillen van de aanvankelijk onder die naam en type-aanduiding op de markt gebrachte auto's, dat zij niet meer als hetzelfde product kunnen worden beschouwd, dat bij vervanging van de auto's door een later type sprake is van deels economische vervanging en dat onder die omstandigheden niet meer kan worden gezegd dat de ingekochte producten soortgelijk of soortverwant zijn aan de verkochte producten; dat in het systeem van belanghebbende de prijsontwikkeling van de als "leader" aangeduide uitvoering bepalend is voor de ontwikkeling van de basisprijzen van alle andere auto's uit de desbetreffende modelgroep, doch dat geenszins vaststaat dat de prijsontwikkeling van elke auto evenredig verloopt met die van de leader; dat de door belanghebbende gehanteerde groepen een groot aantal verschillende uitvoeringen en modellen omvatten, dat de auto's binnen deze groepen niet soortgelijk of soortverwant zijn, en dat niet kan worden gesproken van een technisch gelijke, duurzaam gebonden voorraad; dat het stelsel onvoldoende waarborg biedt dat wordt voorkomen dat verliezen worden genomen zonder dat daartoe voldoende aanleiding bestaat, en de veelheid van typen en uitvoeringen in dezelfde groep de voorraadwaardering onvoldoende controleerbaar maakt en te veel afhankelijk maakt van toevallige of beïnvloedbare omstandigheden. Het Hof heeft aan een en ander de gevolgtrekking verbonden dat het door belanghebbende toegepaste waarderingssysteem voor haar voorraad auto's in strijd is met goed koopmansgebruik en mitsdien moet worden vervangen door een ander systeem; dat de daaruit voortvloeiende correctie van de door belanghebbende aangegeven winst dient te worden gesteld op f 30.170.172,--. Tegen deze oordelen keert zich het middel.

3.4. Het strekt in de eerste plaats ten betoge dat het Hof een te stringente uitlegging heeft gegeven aan de eis dat voorraden gewaardeerd volgens een ijzeren-voorraadstelsel soortgelijk althans soortverwant dienen te zijn; dat deze eis ertoe strekt te voorkomen dat niet door de bedrijfsvoering veroorzaakte winstverschuivingen optreden; dat het ijzeren-voorraadstelsel erop is gericht inflatiewinsten te elimineren, en dat dit bij de huidige snelheid van de industriële ontwikkeling slechts mogelijk is als aan het begrip economische vervanging een ruime inhoud wordt gegeven.

3.5. De aan dit betoog ten grondslag liggende opvatting dat bij de toepassing van een ijzeren-voorraadstelsel is voldaan aan de eis dat de goederen soortgelijk of soortverwant zijn, indien zij in het bedrijf dezelfde functie vervullen en derhalve in economische zin elkaar kunnen vervangen, kan niet als juist worden aanvaard. De grondslag van het stelsel is de veronderstelling dat ondanks de geregelde inkoop en verkoop van goederen de vaste voorraad in beginsel onveranderd aan het bedrijf gebonden is, aan welke veronderstelling slechts is voldaan indien de desbetreffende goederen ook in technische zin soortgelijk of soortverwant zijn. Het betoog biedt derhalve geen grond voor cassatie.

3.6. Het middel bestrijdt de hiervóór in 3.3 weergegeven oordelen van het Hof voorts met enkele motiveringsklachten. Ook deze klachten falen, daar die oordelen voldoende gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk zijn.

3.7. Het middel voert tenslotte aan, dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op het aanbod van belanghebbende het systeem van voorraadwaardering - en derhalve in het bijzonder de samenstelling van de groepen - zodanig te wijzigen dat deze (hetgeen naar de Hoge Raad verstaat, moet worden gelezen als: dit) naar het oordeel van het Hof wel zou voldoen aan goed koopmansgebruik. Het middel is in zoverre gegrond. Het Hof diende belanghebbende, nu het de door haar toegepaste wijze van voorraadwaardering verwierp, in de gelegenheid te

stellen een door haar gekozen, met goed koopmansgebruik strokend stelsel in de plaats te stellen van het verworpen stelsel. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht ten bedrage van f 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 30 november 1994.