Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1994:AA2954

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-1994
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
29854
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22, geldigheid: 1994-10-19
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13 (oud), geldigheid: 1994-10-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 1994/337
FED 1994/710
FED 1994/675
WFR 1994/1623, 2
V-N 1994/3420, 12

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staats secretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 20 augustus 1993 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1989 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 147.356,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, zoals deze aanslag ambtshalve nader was verminderd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 132.214,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft in het begin van het jaar 1988 een garagebedrijf overgenomen, inclusief de onroerende zaken, welke bestaan uit twee werkplaatsen en twee showrooms met ondergrond en omliggend terrein. Het bouwjaar van de opstallen is 1970, terwijl in 1977 een uitbreiding heeft plaatsgevonden. Belanghebbende stelt, gelet op de economische levensduur, de afschrijving op 5% van de door hem betaalde prijs voor de opstallen. De Inspecteur stelt het afschrijvingspercentage op 3% conform het advies van zijn deskundige, die onder meer schrijft: "Bij traditionele bouw wordt veelal een afschrijvingspercentage van 2,5 toegepast, hetgeen kan oplopen tot 4 à 5% bij prefab- en systeembouw. In het onderhavige geval kan naar mijn inzicht een percentage van 3% gehanteerd worden.". 3.2. Het Hof heeft, na overwogen te hebben dat de onderhavige opstallen zijn gebouwd in 1970 en uitgebreid in 1977, zodat van de afschrijvingsperiode reeds 19 respectievelijk 12 jaren zijn verstreken, geoordeeld dat reeds op grond van dit gegeven een afschrijving van 5% niet onjuist is.

3.3. Dit oordeel wordt door het middel terecht bestreden. Immers uit de ouderdom van de opstallen van 19 respectievelijk 12 jaar valt in het licht van de omstandigheid dat - naar de stukken van het geding buiten twijfel stellen - de technische levensduur van de opstallen, te rekenen vanaf de verwerving ervan door belanghebbende, op ten minste 30 jaar is te stellen, zonder nadere motivering niet af te leiden dat een afschrijving van 5% niet onjuist is. Mitsdien kan 's Hofs uitspraak als niet naar de eis der wet met redenen omkleed niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de

mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 19 oktober 1994.