Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1993:ZC9475

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-1993
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
94.871
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1993:13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Als eigenaresse van auto niet voldoen aan vordering om bekend te maken wie bestuurder was van haar auto ten tijde dat met die auto ongeval is veroorzaakt, art. 41.1 WVW. Verhouding tussen spreekplicht van eigenaar van auto en zwijgrecht van verdachte. Vordering a.b.i. art. 41.1 WVW verenigbaar met art. 14.3.g IVBPR, art. 6.2 EVRM en art. 29 Sv? Hof heeft verdachte vrijgesproken van primair tlgd. handelen in strijd met art. 30.1.a WVW, t.a.v. welk feit zij is verhoord waarbij zij is gewezen op haar zwijgrecht, en heeft verdachte vervolgens veroordeeld t.z.v. subsidiair tlgd. overtreding van art. 41.1 WVW. Vordering om naam en adres van onbekend gebleven bestuurder bekend te maken is op zichzelf niet onverenigbaar met onschuldpresumptie van art. 6.2 EVRM. Toepassing van art. 41.1 WVW zou evenwel niet te rechtvaardigen inbreuk opleveren op art. 14.3.g IVBPR en in art. 6 EVRM neergelegd “fair trial-beginsel”, indien eigenaar t.z.v. het als bestuurder plegen van bij WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit, waarop vordering a.b.i. art. 41.1 WVW is gericht, reeds is “charged with a criminal offence” in de zin van die verdragsbepalingen. Eigenaar of houder tegen wie tevoren vanwege Staat reeds handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat hij ervan wordt beschuldigd als bestuurder van motorrijtuig bij WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit te hebben begaan, zou immers door onder wettelijke strafbedreiging te voldoen aan vordering van art. 41.1 WVW om bestuurder bekend te maken in strijd met verdragsbepalingen onder dwang informatie verschaffen welke als bewijs van dat misdrijf tegen hem kan worden gebruikt. M.b.t. vraag of vordering a.b.i. art. 41.1 WVW gericht tot eigenaar of houder van motorrijtuig, die zelf wordt verdacht van in WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit, onverenigbaar is met art. 29 Sv is van belang: (a) enerzijds dat weliswaar in Nederlands recht niet is verankerd onvoorwaardelijk recht of beginsel dat verdachte op generlei wijze kan worden verplicht tot verlenen van medewerking aan verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal; en (b) anderzijds echter dat aan art. 29 Sv beginsel ten grondslag ligt dat verdachte niet kan worden verplicht tot afleggen van verklaring waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. Indien nu eigenaar of houder van motorrijtuig waarmee in WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit is begaan van dat feit wordt verdacht en hem bij verhoor t.z.v. dat feit is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, druist op dat feit betrekking hebbende vordering a.b.i. art. 41.1 WVW, gedaan na dit verhoor, in tegen voormeld aan art. 29 Sv ten grondslag liggend beginsel. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat in zodanig geval art. 41.1 WVW niet geldt. Uit wetsgeschiedenis blijkt ook niet dat wetgever met art. 41 WVW heeft beoogd inbreuk op dit beginsel te maken. Hof heeft verweer, inhoudende dat verdachte niet verplicht was aan vorderingen van verbalisant en OvJ gevolg te geven omdat zij het recht had te zwijgen, verworpen door te overwegen dat art. 41 WVW niet strijdig is met art. 14 IVBPR. Tegen achtergrond van hetgeen namens verdachte is aangevoerd, heeft Hof verweer verworpen op gronden die verwerping niet kunnen dragen. Ervan uitgaande dat hetgeen als verweer van verdachte is weergegeven feitelijke grondslag heeft, had Hof dit verweer op zijn merites behoren te beoordelen, hetgeen HR zelf kan doen. Enkele omstandigheid dat aan verdachte, toen zij door politie werd verhoord i.v.m. overtreding van art. 30.1.a WVW, werd medegedeeld dat zij niet tot antwoorden was verplicht, leidt niet tot slotsom dat tegen verdachte ‘’criminal charge’’ in de zin van voornoemde verdragsbepalingen was uitgebracht. Noch verhoor zelf, noch mededeling dat verdachte niet tot antwoorden was verplicht, kan gelden als handeling vanwege Staat waaraan zij in redelijkheid gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat t.z.v. overtreding van voornoemde wetsbepaling strafvervolging tegen haar zou worden ingesteld. Hieruit volgt dat namens verdachte gevoerd verweer, v.zv. stoelend op meergenoemde verdragsbepalingen, niet kan slagen. Verweer slaagt echter wel voor wat betreft beroep op niet-strafbaarheid van bewezenverklaard feit i.v.m. art. 29 Sv. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, nu verdachte t.t.v. tot haar gerichte vorderingen a.b.i. art. 41.1 WVW reeds als verdachte van overtreding van art. 30.1.a WVW door politie was gehoord, zij niet gehouden was om aan die vorderingen gevolg te geven. Nu bewezenverklaarde niet strafbaar is ex art. 41.1 jo art. 35.3 WVW, noch elders strafbaar is gesteld, dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. HR ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. CAG (anders t.a.v. strekking): vernietiging en verwijzing.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 14
Wetboek van Strafvordering 29
Wetboek van Strafvordering 352
Wetboek van Strafvordering 441
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1994, 629 met annotatie van G.J.M. Corstens
VR 1994, 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 oktober 1993

Strafkamer

Nr. 94.871

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 30 september 1992 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 2 oktober 1990, voor zover aan ’s Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair telastegelegde en hem voorts ter zake van ‘’overtreding van artikel 41, eerste lid, van de Wegenverkeerswet’’ veroordeeld tot een geldboete van driehonderd gulden, subsidiair zes dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep

Het beroep – dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak – is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A.J. van Iwaarden, advocaat te Middelburg, het volgende middel van cassatie voorgesteld:

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 358, 359 en 415 Sv. geschonden doordat het Hof het door [verdachte] gevoerde verweer, kort inhoudende dat er i.c. sprake is van het in strijd met artikel 14 lid 3 aanhef en sub g IVBPR, 6 lid 2 EVRM en/of artikel 29 Sv, doen van een vordering ex artikel 41 WVW, ten onrechte, althans op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, heeft verworpen. ’s Hofs arrest is tengevolge hiervan niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

TOELICHTING:

1. Ten laste gelegd is, voorzover thans nog van belang, dat [verdachte] in de periode 24 april 1990 tot 1 mei 1990 als eigenaresse van een personenauto niet heeft voldaan aan haar plicht om bekend te maken wie de bestuurder was van haar auto ten tijde dat met die personenauto een ongeval werd veroorzaakt. Zowel politierechter als Hof hebben dit feit gekwalificeerd als zijnde het misdrijf van artikel 41 Wegenverkeerswet en hebben [verdachte] veroordeeld tot f 400,== en in appel tot f 300,== boete. Het Hof heeft beslist dat het verweer dat er i.c. sprake is van strijdigheid van artikel 41 WVW met 6 lid 2 EVRM, 14 lid 3 aanhef sub g alsmede 29 Sv verworpen, daartoe overwegende:

‘’Het hof verwerpt dit verweer.

Toepassing van artikel 14 van de Wegenverkeerswet is niet strijdig met artikel 14 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.’’

2. Vooreerst zij opgemerkt dat deze – karige – motivering strijdig is met het in artikel 358 lid 3 jo 415 Sv. bepaalde. Immers het Hof miskent dat niet alleen een beroep is gedaan op het in artikel 14 IVBPR bepaalde maar tevens op strijdigheid van artikel 41 WVW met 29 Sv en 6 lid 2 EVRM. Hierop heeft het Hof niet expliciet beslist en derhalve is het arrest onvoldoende gemotiveerd.

3. Voorts merkt [verdachte] over het verwerpen van het vorengenoemd verweer het volgende op. Het betoog van [verdachte] strekte ertoe dat zij niet aan de vordering van de Officier van Justitie behoefte te voldoen omdat zij immers reeds verdachte was in de zin van artikel 27 Sv en zich derhalve mocht beroepen op haar zwijgrecht. In eerste aanleg heeft de Officier van Justitie hieromtrent opgemerkt dat niemand verdachte is voordat de vordering ex artikel 41 WVW gedaan wordt, i.c. ten onrechte evenwel. Blijkens het proces verbaal d.d. 2 september 1989 zijn verbalisanten van de Gemeentepolitie Vlissingen, na een melding te hebben ontvangen van een doorrijden na een ongeval, naar de woning van [verdachte] gegaan en hebben aldaar [verdachte] verhoord. Het p.v. luidt:

‘’ Op zaterdag 2 september 1989, omstreeks 23.45 uur, stelde ik, [verbalisant 1] , een onderzoek in op het adres [a-straat 1] te Vlissingen. Op aanbellen werd aldaar opengedaan door de mij bekende [verdachte] . In deze woning trof ik verder aan de mij bekende [betrokkene 1] . Naar haar naam gevraagd gaf [verdachte] op te zijn [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te Vlissingen, [a-straat 1] . Nadat ik haar ter zake had ingelicht en haar had medegedeeld dat zij niet tot antwoorden was verplicht, verklaarde zij, ….. etc. etc. ‘’

Bij dit eerste verhoor werd blijkbaar [verdachte] reeds als verdachte aangemerkt. Reeds vanaf dat moment mocht [verdachte] zich dus beroepen op haar zwijgrecht ingevolge art. 29 Sv en de genoemde verdragsbepalingen.

4. Op 3 september 1989 werd aan [verdachte] voor de eerste maal een vordering ex artikel 41 WVW gedaan. Uit het proces verbaal het volgende citaat:

‘’Deze vordering werd door mij schriftelijk aan [verdachte] overhandigd en mondeling toegelicht. Aan deze vordering werd door [verdachte] voornoemd niet voldaan. Naar aanleiding hiervan hoorde ik op woensdag 6 september 1989, omstreeks 19.50 uur, [verdachte] . Nadat haar was medegedeeld dat zij niet tot antwoorden was verplicht, …. etc., etc. ‘’

Wederom werd de cautie gegeven. Na haar weigering om kenbaar te maken wie achter het stuur had gezeten was duidelijk dat [verdachte] verdachte ex artikel 41 WVW was. Zij mocht zich dus, het zij herhaald, beroepen op haar zwijgrecht. (Zie in deze zin ook J.A.W. Lensen, Delikt en Delinkwent 16 (1986) afl. 3)

5. Op 12 april wordt door de Officier van Justitie in het arrondissement Middelburg voor hetzelfde feit, nog steeds die aanrijding op 2 september 1989 ten tweede male een vordering ex artikel 41 WVW gedaan. (Ook) Aan deze vordering is door [verdachte] niet voldaan. [verdachte] behoefde hieraan ook niet te voldoen aan haar was immers tot 2 maal toe te kennen gegeven dat zij niet tot antwoorden verplicht was. Op het moment dat de tweede vordering werd gedaan stond vast dat [verdachte] verdacht was van het overtreden van artikel 41 WVW, zodat zij niet verplicht was te reageren op de door de Officier gedane vordering. Duidelijk is voorts dat ten tijde van de tweede vordering sprake was van een ‘’criminal charge’’ in de zin van genoemde verdragen zodat [verdachte] ook met een beroep op de reeds eerder genoemde verdragsbepalingen niet (meer) aan de vordering van Officier behoefde te voldoen. In dit verband dient nog opgemerkt te worden dat volgens het proces verbaal op 6 september 1989 reeds aan [verdachte] werd aangezegd dat terzake van artikel 41 WVW proces verbaal opgemaakt zou worden. Derhalve mocht [verdachte] t.a.v. de tweede vordering ex artikel 41 WVW, die klaarblijkelijk tenlaste is gelegd, zich beroepen op haar zwijgrecht, blijkens het p.v. zij was immers al verdacht van overtreden van 41 WVW. Door het doen van de tweede vordering ex artikel 41 WVW werd [verdachte] gedwongen een zichzelf belastende verklaring af te leggen hetgeen strijdig is met de al meer genoemde verdragsbepalingen en artikel 29 Sv. Door een en ander te miskennen heeft het Hof het recht geschonden.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een ander Hof.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

‘’dat zij te Middelburg, in het tijdvak van 24 april 1990 tot en met 1 mei 1990, als eigenares of houdster, in de zin van artikel 40, lid 4 van de Wegenverkeerswet, van een motorrijtuig, (personenauto), gekentekend [kenteken 1] niet heeft voldaan aan haar verplichting om de naam en het volledig adres van de onbekend gebleven bestuurder van dat motorrijtuig, waarmee op 2 september 1989, in de gemeente Vlissingen, een bij de Wegenverkeerswet als misdrijf strafbaar gesteld feit was begaan, op vordering van een der in artikel 42 van de genoemde wet bedoelde personen, met name de Officier van Justitie in het arrondissement Middelburg, binnen een daarbij gestelde termijn van 7 dagen, en welke vordering haar, verdachte, op 24 april 1990 was betekend, bekend te maken’’.

4.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het ambtsedig proces-verbaal van de gemeentepolitie te Vlissingen nr 485/89 d.d. 7 februari 1990, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :

a. als de op 2 september 1989 tegenover verbalisant [verbalisant 2] afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

Op 2 september 1989 reed ik als bestuurder van mijn personenauto over de President Rooseveltlaan te Vlissingen. Ik zag dat voor mij een personenauto reed en dat die auto ter hoogte van perceel 224 met de rechterflank tegen een geparkeerde auto reed. Ik zag dat de auto naar links terugkaatste en vervolgens zonder te stoppen doorreed. Ik zag dat het kenteken van die auto [kenteken 1] was. Het merk was een Princess. Ik reed terug naar de plaats waar de aanrijding was gebeurd. Ik zag toen dat de aangereden auto was gekentekend [kenteken 2]. Ik zag dat op die auto zwarte strepen zaten.

b. als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 2 september 1989 stelde ik een onderzoek in. Bij navraag bleek dat het kenteken [kenteken 1] op 1 augustus 1989 was afgegeven aan [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1963, wonende [a-straat 1] te [woonplaats].

Vervolgens zag ik dat op de President Rooseveltlaan ter hoogte van perceel 224 een witte personenauto met het kenteken [kenteken 2] geparkeerd stond. Ik zag dat deze auto aan de linkerflank beschadigd was. Ik zag dat het linker achterscherm en het linker portier waren gedeukt. Tevens zag ik dat de lak beschadigd was. Op het wegdek onder deze auto trof ik een gedeelte van een rechter buitenspiegel aan.

In de nabijheid van perceel [a-straat 1] te [woonplaats] trof ik een personenauto, merk Princess, met het kenteken [kenteken 1] aan. Ik zag dat op het rechter voorportier van dit voortuig een gedeelte van een rechter buitenspiegel zat. Ik voelde dat het motordeksel van deze auto lauw was. Ik zag dat dit voortuig aan de rechter flank was beschadigd en dat die schade recent was. Ik zag dat het plaatwerk aan de rechter kant lichte deuken vertoonden. Ik zag dat de lak aan dit voortuig geel van kleur was en dat op deze lak witte laksporen zaten.

2. Een geschrift, zijnde een vordering ex artikel 41 van de Wegenverkeerswet van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg, d.d. 12 april 1990, onder meer inhoudende:

a. als mededeling aan [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats], [a-straat 1] :

- dat op 2 september 1989 met een motorrijtuig, personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 1] een overtreding werd begaan van artikel 30 van de Wegenverkeerswet in elk geval een bij de Wegenverkeerswet als misdrijf strafbaar gesteld feit,

- dat de identiteit van de bestuurder die voormelde overtreding met dat motorrijtuig heeft gepleegd tot op heden niet is kunnen worden vastgesteld,

- dat geadresseerde, terzake van het doen en laten rijden met dat motorrijtuig op grond van artikel 41 van de Wegenverkeerswet verplicht is op eerste vordering van hem, officier van justitie, binnen een daarbij gestelde termijn hem, officier van justitie, bekend te maken met de identiteit van de bestuurder van dat motorrijtuig,

- dat, indien aan die vordering niet wordt voldaan, tegen geadresseerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 41 juncto 35 Wegenverkeerswet een strafvervolging kan worden ingesteld,

- vordert dat geadresseerde binnen 7 dagen, nadat deze vordering zal zijn betekend, hem, officier van justitie, met de identiteit van de bestuurder van dat motorrijtuig bekend maakt.

b. als verklaring van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg d.d. 1 juni 1990 – zakelijk weergegeven – :

Aan bovenstaande vordering is niet voldaan.

3. Een akte van uitreiking, gehecht aan het onder 2 vermelde geschrift, waaruit blijkt dat de vordering ex artikel 41 Wegenverkeerswet, parketnummer I 5884/90 op 24 april 1990 in persoon aan de verdachte is uitgereikt.

4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – :

Op 2 september 1989 was ik de eigenaar van de personenauto met het kenteken [kenteken 1] . Op de avond van die dag heeft [betrokkene 1], met wie ik toen samenwoonde, als bestuurder met mijn auto gereden. Ik heb de naam van de bestuurder niet aan officier van justitie bekend gemaakt, omdat ik van [betrokkene 1] zijn naam niet mocht noemen.

5. Beoordeling van het middel

5.1. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld:

( i) Bij de Wet van 1 april 1988, Stb. 164, is art. 40 WVW gewijzigd en is voorts na art. 40 een nieuw art. 41 ingevoegd. Deze bepalingen hebben betrekking op de strafrechtelijke gevolgen van een verkeersdelict dat is begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder. Bij deze wetswijziging is de voordien in art. 40 WVW vervatte verplichting, welke rustte op degene die met het desbetreffende motorrijtuig heeft doen of laten rijden, om de identiteit van de onbekende bestuurder bekend te maken, omgezet in een dergelijke op de eigenaar of houder van het motorrijtuig rustende informatieplicht. Daarbij is gekozen voor een onderscheid tussen overtredingen en misdrijven en een verdeling van de materie over art. 40 (handelende over een door de onbekend gebleven bestuurder begane — bij of krachtens de WVW strafbaar gestelde — overtreding) en art. 41 (waarbij het gaat over een door de onbekend gebleven bestuurder begaan — bij de WVW strafbaar gesteld — misdrijf).

(ii) In het onderhavige geval is de toepassing van art. 41, eerste lid WVW, in het geding. De strafbaarheid van de eigenaar of houder van het motorrijtuig is in die bepaling gebaseerd op diens verplichting tot medewerking aan de opsporing van een met dat motorrijtuig begaan verkeersmisdrijf. Aan deze verplichting tot medewerking, welke op de eigenaar of houder ‘’als zodanig’’ rust zonder dat daarbij sprake is van een concrete verdenking (vgl. Kamerstukken II 1984/1985, 19 093, MvT, nr. 3, blz. 11), wordt voldaan door ‘’op vordering’’ van een der in art. 42 WVW bedoelde personen de naam en het adres van de onbekend gebleven bestuurder bekend te maken.

(iii) Een zodanige vordering om deze informatie te verstrekken, het niet voldoen waaraan zelfstandig strafbaar is gesteld in art. 35, derde lid, WVW, is op zichzelf niet onverenigbaar met het beginsel van art. 6, tweede lid, EVRM dat een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig wordt gehouden tot zijn schuld volgens de wet wordt bewezen, noch met het in art. 14, derde lid aanhef en onder g, IVBPR neergelegde recht om bij het bepalen van de gegrondheid van een tot iemand gerichte ‘’criminal charge’’ niet tegen zichzelf te behoeven te getuigen of een bekentenis af te leggen, ook niet in geval de eigenaar of houder de onbekend gebleven bestuurder zou zijn. Toepassing van het bepaalde in art. 41, eerste lid, WVW zou evenwel een niet te rechtvaardigen inbreuk opleveren op het bepaalde in art. 14, derde lid aanhef en onder g, IVBPR, alsmede op het in art. 6 EVRM neergelegde ‘’fair trial’’-beginsel, indien de eigenaar of houder ter zake van het als bestuurder plegen van het bij de WVW als misdrijf strafbaar gestelde feit, waarop de vordering als bedoeld in art. 41, eerste lid, WVW is gericht, reeds is ‘’charged with a criminal offence’’ in de zin van die verdragsbepalingen. De eigenaar of houder tegen wie tevoren vanwege de Staat reeds een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat hij ervan wordt beschuldigd als bestuurder van het motorrijtuig het bij de WVW als misdrijf strafbaar gestelde feit te hebben begaan, zou immers door het onder wettelijke strafbedreiging voldoen aan de vordering van art. 41, eerste lid, WVW om de bestuurder bekend te maken in strijd met de evenvermelde verdragsbepalingen onder dwang informatie verschaffen welke als bewijs van dat misdrijf tegen hem kan worden gebruikt (vgl. EHRM 25 februari 1993, Series A vol. 256–A, NJ 1993, 485).

(iv) Met betrekking tot de vraag of een vordering als bedoeld in art. 41, eerste lid, WVW gericht tot de eigenaar of houder van het desbetreffende motorrijtuig die zelf wordt verdacht van een in de WVW als misdrijf strafbaar gesteld feit, onverenigbaar is met het bepaalde in art. 29 Sv is van belang:

( a) enerzijds dat weliswaar in het Nederlandse recht niet is verankerd een onvoorwaardelijk recht of beginsel dat een verdachte op generlei wijze kan worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijsmateriaal;

( b) anderzijds echter dat aan art. 29 Sv het beginsel ten grondslag ligt dat een verdachte niet kan worden verplicht tot het afleggen van een verklaring waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd.

Indien nu de eigenaar of houder van het motorrijtuig waarmee het in de WVW als misdrijf strafbaar gestelde feit is begaan van dat feit wordt verdacht en hem bij een verhoor ter zake van dat feit is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, druist een op dat feit betrekking hebbende vordering als bedoeld in het eerste lid van art. 41 WVW, gedaan na dit verhoor, in tegen voormeld aan art. 29 ten grondslag liggend beginsel. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat in een zodanig geval art. 41, eerste lid, WVW niet geldt. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van art. 41 WVW blijkt ook niet dat de wetgever met art. 41 WVW heeft beoogd een inbreuk op evengenoemd beginsel te maken.

5.2. Aan de verdachte is telastegelegd primair dat zij op of omstreeks 2 september 1989 te Vlissingen heeft gehandeld in strijd met art. 30, eerste lid aanhef en onder a, WVW, subsidiair dat zij in het tijdvak van 24 april 1990 tot en met 1 mei 1990 art. 41, eerste lid, WVW heeft overtreden. Van het primair telastegelegde is zij vrijgesproken. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is ten aanzien van het subsidiair telastegelegde namens de verdachte aldaar een verweer gevoerd dat de Hoge Raad aldus verstaat dat is aangevoerd: dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] volgens het proces-verbaal van de gemeentepolitie (te Vlissingen) de verdachte op 2 september 1989 hebben gehoord in verband met een verdenking van handelen in strijd met art. 30, eerste lid aanhef en onder a, WVW waarbij zij haar hebben gewezen op haar recht te zwijgen, en dat de dag daarop door de verbalisant [verbalisant 1] mondeling de in art. 41, eerste lid, WVW bedoelde vordering aan de verdachte is gedaan; dat de verdachte aan die vordering geen gevolg heeft gegeven en evenmin aan de haar door de Officier van Justitie op 12 april 1990 gedane schriftelijke vordering van dezelfde strekking; dat zij niet verplicht was aan deze vorderingen gevolg te geven omdat zij het recht had te zwijgen aangezien ten tijde dier vorderingen sprake was van een tegen haar gerichte ‘’criminal charge’’ in de zin van art. 6 EVRM respectievelijk art. 14, derde lid aanhef en onder g, IVBPR, terwijl zij voorts op grond van het bepaalde bij art. 29 Sv niet tot antwoorden was verplicht.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van het subsidiair telastegelegde veroordeeld. Het vorenweergegeven verweer heeft het Hof verworpen, daartoe overwegende dat art. 41 WVW niet strijdig is met art. 14 IVBPR.

5.3. Tegen de achtergrond van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, heeft het Hof het gevoerde verweer verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.

5.4.1. In aanmerking genomen dat het voor het bewijs gebezigd proces-verbaal van de gemeentepolitie te Vlissingen, gelezen in verband met de overige inhoud van dat proces-verbaal, voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat hetgeen hiervoren onder 5.2 als verweer van de verdachte is weergegeven feitelijke grondslag heeft, had het Hof dit verweer op zijn merites behoren te beoordelen, hetgeen de Hoge Raad thans zelf kan doen.

5.4.2. De enkele omstandigheid dat aan de verdachte, toen zij op 2 september 1989 door de politie werd verhoord in verband met de overtreding van art. 30, eerste lid aanhef en onder a, WVW, werd medegedeeld dat zij niet tot antwoorden was verplicht, leidt niet tot de slotsom dat tegen de verdachte een ‘’criminal charge’’ in de zin van de meergenoemde verdragsbepalingen was uitgebracht. Immers, noch het verhoor zelve, noch de mededeling dat de verdachte — die toen kennelijk werd verdacht van overtreding van art. 30, eerste lid aanhef en onder a, WVW — niet tot antwoorden was verplicht, kan gelden als een handeling vanwege de Staat waaraan zij in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat ter zake van overtreding van de evengenoemde wetsbepaling een strafvervolging tegen haar zou worden ingesteld. Hieruit volgt dat het namens de verdachte gevoerde verweer, voor zover stoelend op de meergenoemde verdragsbepalingen, niet kan slagen.

5.4.3. Het verweer slaagt echter wel voor wat betreft het beroep op niet-strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit in verband met art. 29 Sv. Immers, uit het hiervoor onder 5.1 sub (iv) overwogene volgt dat, nu de verdachte ten tijde van de tot haar gerichte vorderingen als bedoeld in art. 41, eerste lid WVW reeds als verdacht van overtreding van art. 30, eerste lid aanhef en onder a, WVW door de politie was gehoord, zij niet gehouden was om aan die vorderingen gevolg te geven.

5.5. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het middel in zoverre doel treft. Nu het bewezenverklaarde niet strafbaar is ingevolge art. 41, eerste lid, jo art. 35, derde lid, WVW, noch elders strafbaar is gesteld, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd, en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Mout, Govaerts, Bleichrodt en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 26 oktober 1993.