Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1993:ZC9359

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-1993
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
93.593
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Toereikende weerlegging van het beroep op noodweer(-exces). Overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging cfm art.41.2 Sr kan zich alleen voordoen als deze verdediging noodzakelijk is of is geweest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1993, 691 met annotatie van A.C. 't Hart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 mei 1993

straf kamer

nr. 93.993

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 februari 1992 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 juni 1990 - de verdachte ter zake van "mishandeling” veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens hem heeft Hr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:

I. Verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid Is voorgeschreven en/of schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 6 van het EVRM en/of artikel 14 IVBP en/of de artikelen 348, 349 en 358 van het Wetboek van Strafvordering, doordat ten onrechte het beroep van rekwirant op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn is verworpen, althans doordat de beslissing hierover onvoldoende, in ieder geval op onjuiste gronden, is gemotiveerd.

Toelichting

Ten onrechte gaat het Gerechtshof er in zijn overwegingen vanuit, dat de in eerste aanleg verstreken termijn niet onredelijk lang genoemd mag worden.

Het door de politierechter noodzakelijk geachte extra onderzoek, waartoe de zaak door de politierechter Is verwezen naar de rechter-commissaris, is het gevolg van het feit dat het Openbaar Minister de zaak, ruim zeventien maanden na het plaatsvinden van het voorval en ruim vijftien maanden na het aanvangen ven de vervolging tegen rekwirant, kennelijk onvoldoende compleet heeft gepresenteerd aan de Politierechter.

Het is niet aan rekwirant te wijten dat na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 26 juni 1989 de nadere behandeling eerst weer is aangevangen op 9 maart 1990, waarna eerst op 15 juni 1990 -derhalve ruim zesentwintig maanden na het aanvangen van de vervolging van rekwirant- vonnis is gewezen door de politierechter.

De aard en/of ingewikkeldheid van de zaak brengen niet met zich mede dat zo een lange termijn redelijk mag worden geacht.

Voorts gaat het Gerechtshof er in zijn overwegingen ten onrechte vanuit dat de redelijke termijn evenmin is overschreden, wanneer het tijdsverloop in hoger beroep en het totale tijdverloop sedert het begaan van het feit in aanmerking worden genomen.

Onduidelijk is waarom aard en ernst van het feit -het bewezenverklaarde levert eenvoudige mishandeling op- met zich mede brengen dat een termijn bijna van twintig maanden tussen aantekenen van hoger beroep en behandeling daarvan en/of aan termijn van ruim vier jaren tussen datum voorval en arrest, geen overschrijding van de redelijke termijn met zich medebrengt. Dat niet gesteld noch gebleken zou zijn ter terechtzitting dat rekwirant geleden heeft onder de dreiging van de (verdere) strafvervolging is een niet begrijpelijke motivering: artikel 6 EVRM noch artikel14 EVRM bieden de gelegenheid de in deze artikelen gestelde termijn te overschrijden indien kan worden vastgesteld dat de justitiabele niet zou hebben geleden onder het -onredelijk lang- voortduren van de vervolging tegen hem.

II. Verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven en/of schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder van de artikelen 358, 359 juncto 415 van het Wetboek van Strafvordering doordat het Hof het verweer van rekwirant dat, hij dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, zich daarbij beroepend op noodweer danwel noodweer exces, ten onrechte heeft afgewezen, althans doordat de beslissing hierover onvoldoende, in ieder geval op onjuiste gronden, is gemotiveerd.

Toelichting:

De motivering van het Hof dat rekwirant zich op eenvoudige wijze aan de ontstane situatie had kunnen onttrekken door weer in zijn auto plaats te nemen en zich te verwijderen, terwijl niet aannemelijk zou zijn geworden dat voor aan dergelijke handelwijze feitelijke belemmeringen bestonden is gelet op de verklaring van rekwirant ter terechtzitting en de verklaringen van rekwirant en de verschillende getuigen zoals deze zijn opgenomen in het bij deze zaak behorend proces-dossier onbegrijpelijk, allen verklaren dat rekwirant met zijn auto moest stoppen in een file en derhalve niet weg kon. Eerst enige tijd na het voorval heeft de file zich opgelost en kon rekwirant zich met zijn auto verwijderen.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Leijten heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ten einde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

hij op 14 januari 1988 te Amsterdam opzettelijk gewelddadig [betrokkene 1] meermalen heeft geslagen, waardoor voornoemde [betrokkene 1] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

4.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 14 januari 1988 heb ik op de Stadhouderskade te Amsterdam een vrouw, van wie mij later is gebleken dat zij [betrokkene 1] heet, met opzet meermalen met kracht geslagen. Daarna ben ik in mijn auto gestapt, een Seat-Ibiza met het kenteken [AA-00-BB], en weggereden.

2. Een proces-verbaal onder nummer 561/00594/88, op ambtseed opgemaakt op 31 maart 1988 door [verbalisant], hoofdagent-rechercheur gemeentepolitie te Amsterdam, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven-:

8. als de op 16 februari 1988 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

op 14 januari 1988 ben ik te Amsterdam door een man met beide handen links en rechts op mijn hoofd en mijn nek geslagen. De man stapte even daarna in zijn auto, een Seat-Ibiza met het kenteken [AA-00-BB], en reed weg.

Later op de dag ben ik naar mijn huisarts, H.A. Scheele, gegaan, die een hersenschudding constateerde. Later kreeg ik optrekkende pijn in mijn handen en mijn armen. Ik ben nu onder behandeling van de neurologe W.G. Strack van Schijndel-van Hanswijk.

b. als de op 17 februari 1988 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Op een dag, dat kan best 14 januari 1988 zijn, zag ik op de Stadhouderskade bij een auto een man en een vrouw staan. Ik zag, dat de man de vrouw een flinke klap gaf. Ik zag, dat de vrouw achterover op de grond viel. Ik zag, dat de man de vrouw, nadat zij was opgestaan, flinke klappen gaf. Hij sloeg haar op het hoofd.

3. Een geschrift, gevoegd als bijlage bij het onder 2 genoemde proces-verbaal, zijnde een schrijven d.d. 31 maart 1989 van W.G. Strack van Schijndel-van Hanswijk, neurologe te Amsterdam, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven:

Een maand na het voorval bezocht [betrokkene 1] mijn spreekuur in verband met hoofdpijn na een mishandeling. [betrokkene 1] heeft letsel in de nek. Het electro-encephalogram kan passen bij door het ongeval veroorzaakte migraineuse hoofdpijn.

Nadere bewijsoverweging

Het hof bezigt het onder 3 vermelde geschrift uitsluitend tot bewijs in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

5. Beoordeling van het eerste middel

5.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in de strafvervolging omdat tussen het bewezenverklaarde feit en het vonnis van de Politierechter meer dan twee en een half jaar zijn verstreken, waardoor reeds de redelijke termijn van berechting was overschreden, en bovendien de behandeling van het hoger beroep eerst anderhalf jaar na het instellen daarvan heeft plaatsgehad.

5.2. Het Hof heeft dienaangaande overwogen en beslist:

Het hof verwerpt dit beroep. Gelet op het extra onderzoek dat in eerste aanleg is nodig gebleken en waartoe de zaak door de politierechter naar de rechter-commissaris is verwezen, alsmede gelet op het feit dat het onderzoek nadien nog een keer op verzoek van de verdachte is aangehouden in verband met het horen van een getuige, is de in eerste aanleg verstreken termijn niet onredelijk lang te noemen. Het hof acht de redelijke termijn evenmin overschreden, wanneer het tijdsverloop in hoger beroep en het totale tijdsverloop sedert het begaan van het feit in aanmerking worden genomen. Het hof heeft daarbij gelet op de aard en de ernst van het feit en de omstandigheid dat niet is gesteld en ter terechtzitting ook niet is gebleken dat de verdachte geleden heeft onder de dreiging van de (verdere) strafvervolging.
Met het tijdsverloop zal bij het bepalen van de straf rekening worden gehouden.

5.3. Uit de stukken van het geding kan het volgende worden afgeleid:

- ter zake van het telastegelegde feit is de verdachte op 23 maart 1988 door de politie verhoord;

- de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter van 26 juni 1989 is op 17 mei 1989 in persoon aan de verdachte uitgereikt;

- ter terechtzitting op 26 juni 1989 heeft de verdachte, het hem telastegelegde feit ontkennend, een onderhandse getuigenverklaring overgelegd, waarna de zaak is geschorst en de stukken in handen zijn gesteld van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank voor het horen van getuigen en zo nodig van de verdachte;

- vervolgens heeft de Rechter-Commissaris op 12 oktober 1989, 18 oktober 1989 en 23 november 1989 verscheidende getuigen en de verdachte gehoord;

- ter terechtzitting van 9 maart 1990 heeft de Politierechter het onderzoek van de zaak hervat en na onderzoek vervolgens wederom geschorst tot de terechtzitting van 15 juni 1990 met bevel tot oproeping van een getuige;

- ter terechtzitting van 15 juni 1990 heeft de Politierechter na hervatting en sluiting van het onderzoek uitspraak gedaan;

- van de uitspraak van 15 juni 1990 is namens de verdachte op 29 juni 1990 hoger beroep ingesteld;

- de verdachte is vervolgens op 15 januari 1992 gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van het Hof van 7 februari 1992;

- vervolgens heeft het Hof op 21 februari 1992 zijn onder 1 vermelde uitspraak gedaan.

5.4.1. In aanmerking genomen dat als aanvangspunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn dient te gelden het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hen zou instellen - te weten, naar in het onderhavige geval moet worden aangenomen, de betekening van de inleidende dagvaarding door uitreiking aan de verdachte in persoon op 17 mei 1989 - geeft 's Hofs oordeel dat de aangevoerde omstandigheden niet meebrengen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, in het bijzonder niet nopens de in het middel vermelde verdragsbepalingen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, en kon, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

5.4.2. 's Hofs overweging dat niet is gesteld of gebleken dat de verdachte heeft geleden onder de dreiging van de (verdere) strafvervolging dient aldus te worden verstaan dat naar 's Hofs oordeel geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die in het onderhavige geval tot een ander oordeel zouden nopen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk, en kan wegens verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.

5.5. Het middel faalt derhalve.

6. Beoordeling van het tweede middel

6.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aldaar een beroep op noodweer onderscheidenlijk noodweerexces gedaan, dat het Hof in het bestreden arrest als volgt heeft weergegeven en verworpen:

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien hij uit noodweer heeft gehandeld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt het slachtoffer, dat tegen de nog vrij nieuwe auto van cliënt had aangeschopt en hem vervolgens, nadat hij was uitgestapt, was aangevlogen, slechts heeft geslagen ter noodzakelijke verdediging van zijn auto en zijn persoon.

Het hof verwerpt dit verweer, nu de verdachte zich op eenvoudige wijze aan de ontstane situatie had kunnen onttrekken door weer in zijn auto plaats te nemen en zich te verwijderen. Niet aannemelijk is geworden dat voor een dergelijke handelwijze feitelijke belemmeringen bestonden.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien er sprake was van noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt door de handelwijze van het slachtoffer, zoals eerder omschreven bij het beroep op noodweer, nogal geschrokken was, boos is geworden en vervolgens, zijnde niet opgeleid om situaties als de onderhavige op andere wijze het hoofd te bieden, vanuit deze hevige gemoedsbeweging de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Het hof verwerpt dit verweer reeds omdat, op grond van hetgeen hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweer is overwogen, geen sprake was van een noodzakelijke verdediging.

6.2. Hetgeen het Hof blijkens het hiervoren onder 6.1 weergegeven in de eerste plaats - ter verwerping van het beroep op noodweer - heeft geoordeeld houdt in dat het Hof niet aannemelijk geworden acht dat voor de verdachte de noodzaak bestond zich en zijn nieuwe auto te verdedigen tegen de aanranding door [betrokkene 1].

Het beroep op noodweer heeft het Hof op feitelijke en niet onbegrijpelijke gronden verworpen, in cassatie kan niet worden onderzocht of dit oordeel juist is.

In aansluiting op de verwerping van het beroep op noodweer heeft het Hof het beroep op noodweerexces verworpen, "reeds omdat, op grond van hetgeen hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweer is overwogen, geen sprake was van een noodzakelijke verdediging".

Aldus heeft het Hof het beroep op noodweerexces verworpen op een niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende en toereikend gemotiveerde grond, immers: Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien (a) de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien (b) op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder (a) bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr kan zich mitsdien alleen voordoen indien deze verdediging noodzakelijk is of noodzakelijk is geweest.

7. Slotsom

Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Mout, Keljzer, Bleichrodt en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, in bijzijn van de waarnemend-griffier Jordaans-Lindeman, en uitgesproken op 18 mei 1993.