Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1993:AD1844

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-1993
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
93755
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1993:AD1844
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.1 Sr) en vernieling (art. 350.1 Sr). 1. OM-cassatie. Ontvankelijkheid h.b. en verontschuldigbare overschrijding appeltermijn, art. 408.1.a Sv. Is t.g.v. foutieve informatie in mededeling uitspraak gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat tegen vonnis Pr binnen 14 dagen h.b. kon worden ingesteld? 2. Cassatie verdachte. Had Hof op vordering b.p. mogen beslissen, nu Pr geen uitspraak heeft gedaan op vordering b.p. en b.p. zich in h.b. niet heeft gevoegd?

Ad 1. Aantekening mondeling vonnis Pr bevat ten onrechte aanduiding “verstek”, nu verdachte op tweede tz. in e.a. niet is verschenen maar op eerste tz. wel. Mededeling uitspraak vermeldt dat verdachte binnen 14 dagen nadat mededeling in persoon aan verdachte is uitgereikt, h.b. kan instellen. Hof stelt vast dat in e.a. bij verstek gewezen vonnis kennelijke misslag bevat, nu vonnis moet worden aangemerkt als vonnis gewezen op tegenspraak, zodat beroepstermijn a.b.i. art. 408.1.a Sv is verstreken. Hof verklaart verdachte ontvankelijk in zijn h.b. op de grond dat bij verdachte vertrouwen is gewekt dat uitspraak Pr niet onherroepelijk is en dat dit vertrouwen, dat door ambtelijke fout is gewekt, niet mag worden beschaamd. Aldus heeft Hof verdachte terecht en op goede gronden ontvankelijk verklaard in zijn h.b.

Ad 2. Hof heeft vordering b.p. toegewezen. In aanmerking genomen dat aantekening mondeling vonnis Pr geen toewijzing van door b.p. gevorderde schadevergoeding inhield en b.p. zich niet ex art. 421.3 Sv in h.b. had gevoegd, heeft Hof door te beraadslagen en te beslissen over bedoelde vordering, in strijd gehandeld met art. 361 jo. art. 415 Sv. Dit verzuim behoeft echter niet tot cassatie te leiden, aangezien belangen van verdachte daardoor niet zijn geschaad. Uit verklaring van raadsman van verdachte ttz. in h.b. (verdachte is bereid om schade van b.p. te vergoeden) heeft Hof immers kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat verdachte instemde met behandelen van bedoelde vordering ttz. en met toewijzing van deze vordering.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1993, 585 met annotatie van G. Knigge
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 maart 1993

Strafkamer

Nr. 93.755

AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 maart 1992 alsmede tegen het tussenarrest van 6 december 1991 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1 De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 juni 1990 – de verdachte ter zake van 1. ‘’diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’’ en 2. ‘’opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’’ veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de beledigde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

2 Het cassatieberoep

2.1.

Het beroep is ingesteld door de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Arnhem tegen het tussenarrest van het Hof van 6 december 1991 en het onder 1 genoemde arrest. De Procureur-Generaal heeft het volgende middel van cassatie voorgesteld:

2 Het Gerechtshof te Arnhem is in zijn tussenarrest van 6 december 1991 en in zijn eindarrest van 27 maart 1992 ten onrechte voorbij gegaan aan de vordering van de procureur-generaal, daartoe strekkend, dat verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard omdat dat appèl tardief zou zijn ingesteld.

Daarmee heeft het Hof het recht geschonden; in het bijzonder artikel 408 lid 1, aanhef en sub a Sv.

3 Toelichting.

3.1

In het tussenarrest van 6 december geeft het Hof de gang van zaken weer. Verdachte kreeg op 24 april 1990 in persoon uitgereikt een dagvaarding om ter terechtzitting van de Politierechter van 2 mei 1990 te verschijnen. Op die dag verschijnt verdachte (evenals de beledigde partij) ter zitting, en hij vraagt een aanhouding om zich van rechtsbijstand te voorzien. Dat verzoek wordt ingewilligd, en de zaak wordt voor bepaalde tijd, tot 5 juni 1990 te 9.00 uur, aangehouden. Blijkens een ‘’aantekening mondeling vonnis’’ d.d. 5 juni 1990, bevattend de aanduiding ‘’VERSTEK’’ (een slordigheid die vèrgaande gevolgen zal hebben), verschijnt verdachte op die datum niet, en vindt er een veroordeling plaats tot een gevangenisstraf van drie maanden waarvan twee voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Een beslissing op de vordering van de beledigde partij wordt node gemist.

Op 16 januari 1991 wordt het vonnis aan de veroordeelde in persoon betekend; daartegen stelt hij op 28 januari 1991 hoger beroep in. Dat is tweehonderd drie en twintig dagen te laat.

3.2

De ‘’verstekmededeling’’ bevat – stellig ten onrechte, maar verklaarbaar, gelet op de aantekening mondeling vonnis, die vermeldt, dat veroordeling bij verstek geschiedde – , de mededeling, dat tegen het vonnis binnen veertien dagen hoger beroep kan worden ingesteld. Het Gerechtshof stelt dan ook in het tussenarrest vast, dat tegen appellant een vonnis op tegenspraak gewezen is, en dat de appèltermijn verstreken is, en niet ten gevolge van een omstandigheid, die verdachte niet kan worden toegerekend. Niettemin oordeelt het Hof, dat bij de veroordeelde door de (foutieve) mededeling omtrent een openstaand rechtsmiddel het vertrouwen is gewekt, dat tegen het vonnis van de Politierechter een rechtsmiddel openstond; en dat vertrouwen, zo meent het Hof, mag niet worden beschaamd. Appellant wordt ondanks de termijnoverschrijding in zijn hoger beroep ontvangen.

Bij de voortgezette behandeling op 13 maart 1992 vorderde het OM wederom met volharding niet-ontvankelijkheid, maar het Hof heeft de zaak toch ten gronde behandeld.

3.3

Steller dezes meent, dat het Hof, hoezeer men ook kan sympathiseren met creatieve reddingsoperaties, met deze beslissingen art. 408 lid 1 sub a geschonden heeft. Het Hof lijkt te miskennen het beginsel dat aan deze bepaling ten grondslag ligt: namelijk de notie, dat van de verdachte die ter zitting aanwezig is geweest, mag worden gevergd, dat hij zich van het verdere verloop van de zaak op de hoogte houdt; een gedachte, neergelegd in het arrest van uw Raad d.d. 24 november 1959, N.J. 1960 nr. 83, en herhaald in het arrest van 23 januari 1979, N.J. 1979 nr. 307. In zijn noot onder laatstgenoemd arrest formuleert G.E. Mulder hetzelfde beginsel vanuit een ander perspektief: de appèlrechter mocht er van uit gaan, dat het aan de veroordeelde lag, dat de appèltermijn van veertien dagen na de einduitspraak onbenut bleef.

Als ik het wèl zie, zou tegenover het vertrouwensbeginsel, dat voor het Hof zwaar gewogen heeft, gesteld moeten worden het uitgangspunt, dat van procespartijen een zekere alertheid verwacht mag worden. Verdachte had ofwel op 5 juni 1990 ter zitting weer moeten verschijnen, ofwel tijdig moeten informeren, hoe zijn zaak was verlopen (hetgeen, gelet op de goede service die de griffies tegenwoordig bieden, gemakkelijk kon); als hij de zaak zelf laat ‘’sloffen’’, gaat het niet aan hem ook nog eens een reddingsboei toe te werpen, waarmee het ‘’gesloten systeem van rechtsmiddelen’’ (de Hullu, ‘’Over rechtsmiddelen in strafzaken’’ pag. 462) wordt doorbroken.

3.4

Opmerking verdient, dat de rechtstoestand, zoals het Hof zich die lijkt voor te stellen, wel een zeer vreemde is. Het Hof neemt aan, dat het op 5 juni 1990 gewezen vonnis op 19 juni 1990 onherroepelijk geworden is, en op 27 juni 1990 executabel. Mirabile dictu wordt datzelfde vonnis dan door een betekening van een onjuiste verstekmededeling op 16 januari 1991 weer vatbaar voor hoger beroep. Mij dunkt, dat zulke vreemde verwikkelingen in ons strafproces geweerd moeten worden.

3.5

Het is verre van ondenkbaar, dat situaties als deze zich in de toekomst weer zullen voordoen. Ik vestig er de aandacht op, dat aanvaarding van ’s Hofs redenering leidt tot onaanvaardbare consequenties. Hoe zou het Hof hebben moeten beslissen, als in een soortgelijke situatie bij eindvonnis van de Politierechter (bijvoorbeeld wegens handelen in strijd met art. 254 lid 1 sub 2) een in beslag genomen kudde schapen verbeurd was verklaard, en het parket onmiddellijk tot verkoop was over gegaan ? Hoe zou geoordeeld zijn, als de Politierechter een ontzegging van de rijbevoegdheid had opgelegd, die 22 dagen na de uitspraak van rechtswege was ingegaan ? Deze voorbeelden lijken te illustreren, dat het Gerechtshof te gemakkelijk een (twijfelachtig) vertrouwensbeginsel heeft laten prevaleren boven andere belangen.

2.2

Namens de verdachte heeft Mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, op de voet van het bepaalde in art. 434, tweede lid eerste volzin, Sv incidenteel beroep in cassatie ingesteld tegen het tussenarrest van het Hof van 6 december 1991 en het onder 1 genoemde arrest, en het volgende middel van cassatie voorgesteld:

Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 421 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, doordat het Gerechtshof te Arnhem in haar arrest van 27 maart 1992 ten onrechte de vordering van de beledigde partij heeft toegewezen terwijl deze in eerste aanleg niet was toegewezen.

Toelichting:

Hoewel requirant tegen de schadevergoeding in kwestie geen bezwaren heeft, had deze niet in de vorm van een toewijzing vordering beledigde partij door het Hof kunnen worden opgenomen, nu deze vordering – overigens om raadselachtige redenen – in eerste aanleg niet is toegewezen.

3 De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Meijers heeft in beide beroepen geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4 Beoordeling van het door de Procureur-Generaal voorgestelde middel

4.1.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte heeft het Hof in zijn tussenarrest van 6 december 1991 als volgt overwogen en beslist:

- op 24 april 1990 is de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg op 2 mei 1990 verdachte in persoon uitgereikt;

- op 2 mei 1990 is het onderzoek in eerste aanleg geschorst tot de terechtzitting van 5 juni 1990 en is de ter terechtzitting verschenen verdachte aangezegd alsdan wederom zonder nadere oproeping aanwezig te zijn;

- op 5 juni 1990 is verdachte niet ter terechtzitting verschenen en is door de eerste rechter bij verstek vonnis gewezen;

- op 16 januari 1991 wordt de mededeling uitspraak veroordeelde in persoon uitgereikt;

- op die mededeling staat onder meer vermeld dat veroordeelde het rechtsmiddel van hoger beroep kan aanwenden binnen 14 dagen nadat de mededeling aan veroordeelde in persoon uitgereikt is;

- op 28 januari 1991 stelt veroordeelde hoger beroep in tegen het vonnis, waarvan beroep;

Het hof is van oordeel, dat uit vorenstaande omstandigheden blijkt dat het in eerste aanleg bij verstek gewezen vonnis een kennelijke misslag bevat, nu dit vonnis moet worden aangemerkt als een vonnis gewezen op tegenspraak, hetgeen met zich brengt dat de beroepstermijn als bedoeld in artikel 408, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering is verstreken.

Het verstrijken van de termijn voor beroep als hiervoor bedoeld is niet gelegen in een omstandigheid die verdachte niet kan worden toegerekend. Immers, indien hij was verschenen op 5 juni 1990 zoals hem was aangezegd, dan had hij zijn verdediging kunnen voeren.

Door het vonnis als een verstekvonnis te behandelen en aan verdachte een mededeling uitspraak te betekenen die vermeldt dat verdachte alsnog beroep kan instellen binnen 14 dagen na de uitreiking daarvan, is echter bij hem het vertrouwen gewekt dat de uitspraak van de rechter in eerste aanleg niet onherroepelijk is. Dit vertrouwen, door een ambtelijke fout gewekt, mag niet worden beschaamd, zodat het hof verdachte in zijn hoger beroep zal ontvangen.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte alsnog ontvankelijk in zijn hoger beroep.

4.2.

Aldus heeft het Hof de verdachte terecht en op goede gronden ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

4.3.

Het middel faalt derhalve.

5 Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel

5.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 2 mei 1990 houdt onder meer in:

Ter terechtzitting zijn verschenen:

[betrokkene 1] en [betrokkene 2],

wonende te [woonplaats],

en die verklaren zich in het geding te voegen als beledigde partij, tengevolge van de door hen geleden schade en wel tot een bedrag van f 1500,--.

5.2.

Uit de aantekening mondeling vonnis van 5 juni 1990 volgt dat door de Politierechter geen uitspraak is gedaan over de vordering tot schadevergoeding van de beledigde partij, die zich in het geding had gevoegd.

5.3.

Bij kennisgeving van 31 januari 1992 heeft de Procureur-Generaal bij het Hof de beledigde partij de terechtzitting in hoger beroep op 13 maart 1992 aangezegd.

5.4.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 maart 1992 valt af te leiden dat de beledigde partij aldaar niet is verschenen.

5.5.

Blijkens dit proces-verbaal heeft de raadsman het Hof verzocht:

onder meer rekening te houden met de omstandigheid dat geen nieuwe feiten bekend zijn geworden en voorts dat zijn cliënt bereid is om de schade van de beledigde partij [betrokkene 1] te vergoeden.

5.6.

In zijn arrest van 27 maart 1992 heeft het Hof ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de beledigde partij overwogen:

De beledigde partij [betrokkene 1] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 mei 1990 een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van f 1500,- ingesteld.

Naar het oordeel van het hof is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de beledigde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaard handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is derhalve voor toewijzing vatbaar.

en heeft het als volgt beslist:

Veroordeelt verdachte tot betaling aan de beledigde partij [betrokkene 1], [woonplaats], van een bedrag van f 1500,- (vijftienhonderd gulden) met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding door de beledigde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

5.7.

In aanmerking genomen a) dat de aantekening van het mondelinge vonnis van de Politierechter van 5 juni 1990 geen toewijzing van de door de beledigde partij gevorderde schadevergoeding inhield en b) dat de beledigde partij zich niet op de voet van art. 421, derde lid, Sv in het geding in hoger beroep had gevoegd, heeft het Hof door te beraadslagen en te beslissen over bedoelde vordering, in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 361 in verbinding met art. 415 Sv. Voor zover het middel daarover klaagt is het gegrond.

5.8.

Dit verzuim behoeft te dezen echter niet tot cassatie te leiden, aangezien de belangen van de verdachte daardoor niet zijn geschaad. Uit de hiervoren onder 5.5 weergegeven verklaring heeft het Hof immers kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte instemde met het behandelen van bedoelde vordering ter terechtzitting en met toewijzing van deze vordering.

5.9.

Het middel faalt derhalve.

6 Slotsom

Nu geen van beide middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt de beroepen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Mout, Govaerts en Koster in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 16 maart 1993.