Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1992:ZC0804

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-1992
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
14832
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1992:14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementspauliana. Onverplichte handeling. Wetenschap van benadeling.

Crediteur heeft opeisbare vordering op debiteur. Debiteur geeft te kennen zijn schuld niet te kunnen betalen. Debiteur en crediteur komen overeen dat debiteur een aan hem toebehorende onroerende zaak zal overdragen aan crediteur onder verrekening van (een gedeelte van) de koopprijs met de openstaande vordering. Debiteur gaat failliet. Curator in het faillissement van debiteur vordert crediteur te veroordelen de onroerende zaak aan de failliete boedel van debiteur terug te geven.

Het oordeel van het hof dat de transactie als een onverplicht verrichte handeling in de zin van art. 42 Fw moet worden aangemerkt is juist. De omstandigheid dat de crediteur, voor hij van debiteur te horen kreeg dat deze laatste niet in staat was de openstaande geldvordering te betalen, jegens deze geen aanspraak had op overdracht aan hem van de onroerende zaak, brengt mee dat het verrichten van de overdracht moet worden aangemerkt als onverplicht. Dat de overdracht ertoe strekte de openstaande vordering bij wege van inbetalinggeving te voldoen doet daaraan niet af.

Het oordeel van het hof dat crediteur in de wetenschap verkeerde dat van de gewraakte transactie benadeling van de schuldeisers van debiteur het gevolg zou zijn, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting van het begrip ‘wetenschap van benadeling’.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1993, 169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 1992
Eerste Kamer
Nr. 14.832
AS


Hoge Raad der Nederlanden


Arrest


in de zaak van:


GEBR. KIN INSTALLATIEBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Rijen , gemeente Gilze en Rijen ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: voorheen Mr. G.M.M. den Drijver,
thans Mr. M.J. Schenck,

t e g e n

Mr. Hans EMMERIG, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van PROBOUW VALKENSWAARD B.V.,
wonende te Belicum
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie – verder ook te noemen de Curator - heeft bij exploit van 3 februari 1989 eiseres tot cassatie - verder te noemen Kin - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd, voor zover in cassatie van belang:

Kin te veroordelen het perceel bouwterrein met toebehoren en opstallen (bouwnummer 3), ter plaatse nabij de Gagelrijs te Rijen , gemeente Gilze en Rijen , sektie A nr. 6717, aan de failliete boedel van Probouw Valkenswaard B.V., gevestigd te Valkenswaard , - verder te noemen Probouw - terug te geven en derhalve - op Kins kosten - mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling van dit onroerend goed in de daartoe bestemde openbare registers ten gunste van Probouw , zulks binnen twee maal 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom.

Nadat Kin tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 17 oktober 1989 de stukken in handen van de procureurs gesteld en de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen, en bij tussenvonnis van 6 februari 1990 Kin tot bewijslevering toegelaten.

Tegen beide tussenvonnissen heeft Kin hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat bij arrest van 17 april 1991 de vordering heeft toegewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Kin beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het daarbij behorende herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor Kin toegelicht door Mr. G.M.M. den Drijver voornoemd en voor de Curator door diens advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
Verweerder in cassatie is curator in het op 12 oktober 1988 uitgesproken faillissement van Probouw . In september 1988 had Kin een opeisbare geldvordering op Probouw ter zake van verrichte werkzaamheden en/of geleverde materialen van f 85.391,59. Op of omstreeks 23 september 1988 heeft Kin zich gewend tot Probouw teneinde betaling van deze vordering te verkrijgen. Omdat Probouw , naar haar directeur te kennen gaf, toen niet in staat was genoemd bedrag te betalen, kwamen Kin en Probouw nader overeen dat laatstgenoemde een haar toebehorende onroerende zaak zou overdragen aan Kin , onder verrekening van (een gedeelte van) de koopprijs met de openstaande vordering. Ter uitvoering van deze nadere overeenkomst heeft Probouw op 27 september 1988 een perceel bouwterrein aan Kin overgedragen tegen een - door de beide procespartijen als reëel aangemerkte - koop/aanneemsom van f 133.980,--, waarop Kin , na verrekening van haar vordering op Probouw , het restant in handen van de behandelend notaris heeft gestort.

Stellende dat het hier gaat om een door Probouw onverplicht verrichte handeling waardoor haar schuldeisers zijn benadeeld, en dat zowel zij als Kin bij het verrichten van deze handeling de wetenschap bezaten dat zodanige benadeling daarvan het gevolg zou zijn, heeft de Curator op de voet van art. 42 F. de nietigheid van de transactie ingeroepen en gevorderd Kin te veroordelen de haar door Probouw geleverde zaak weer aan deze over te dragen. De Rechtbank heeft de transactie nietig geoordeeld. Bij zijn in cassatie bestreden arrest heeft het Hof de door Kin tegen dat oordeel aangevoerde appelgrieven verworpen en de vordering toegewezen. Daartegen keert zich het middel.


3.2 Onderdeel 1 komt onder (a) met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen rechtsoverweging 4.1 van het bestreden arrest, waarin het Hof de transactie - waarmee het college kennelijk het oog heeft op het sluiten van de hiervoor onder 3.1 bedoelde nadere overeenkomst in samenhang met de ter uitvoering daarvan verrichte levering door Probouw aan Kin van het perceel bouwterrein - aanmerkt als onverplicht te zijn verricht in de zin van voormeld art. 42.

Het Hof heeft dit oordeel klaarblijkelijk doen steunen op de vaststelling dat Kin , vóór zij in september 1988 van de directeur van Probouw te horen kreeg dat deze laatste niet in staat was de openstaande geldvordering te betalen, en in verband daarmee de hiervoor onder 3.1 bedoelde nadere overeenkomst met Probouw sloot, jegens deze geen aanspraak had op overdracht aan haar van het onderhavige perceel bouwterrein. Onder deze omstandigheden moet het verrichten op 27 september 1988 van die overdracht worden aangemerkt als onverplicht in de zin van art. 42; daaraan kan niet afdoen dat de overdracht ertoe strekte de openstaande vordering bij wege van inbetalinggeving te voldoen. 's Hofs door het onderdeel bestreden oordeel is dus juist, zodat de rechtsklacht faalt en de motiveringsklacht belang mist.
Onder (b) behelst het onderdeel een klacht, die uitgaat van een onjuiste lezing van 's Hofs arrest en dus bij gebreke van feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.


3.3 Onderdeel 2 betreft 's Hofs oordeel dat Kin in de wetenschap verkeerde dat van de gewraakte transactie benadeling van Probouws schuldeisers het gevolg zou zijn. Dit oordeel geeft, anders dan het onderdeel betoogt, geen blijk van een onjuiste opvatting van het begrip "wetenschap van benadeling" en is te zeer verweven met waarderingen van feitelijke aard om in cassatie voor het overige op zijn juistheid te kunnen worden getoetst. Het is, ook tegen de achtergrond van de door Kin in feitelijke aanleg aangevoerde en door het onderdeel weergegeven stellingen, niet onbegrijpelijk noch ook overigens ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel faalt dus.


3.4 Onderdeel 3 komt onder (a) tevergeefs met een motiveringsklacht op tegen de niet onbegrijpelijke uitleg die het Hof heeft gegeven aan een bepaling deel uitmakend van de door Kin gehanteerde algemene voorwaarden.
Onder (b) keert het onderdeel zich tegen een rechtsoverweging die door het Hof ten overvloede is gegeven en zijn beslissing niet draagt. In zoverre kan het onderdeel dus bij gebreke van belang niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing
De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;
veroordeelt Kin in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Curator begroot op f 457,20 aan verschotten en f 2.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Korthals Altes, Neleman en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op 18 december 1992.