Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1992:ZC0701

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-1992
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
14740
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1992:7, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huurrecht woonruimte. Overlast door invalide huurder die in aangepaste benedenwoning woont en een ander leefpatroon heeft dan omwonenden. Overlastclausule in huurovereenkomst.

Het oordeel van de rechtbank dat de betrokken huurder weliswaar een van de andere bewoners afwijkend leefpatroon mag voeren, waarbij niet iedere vorm van overlast kan worden vermeden, maar dat de omstandigheden van het geval (gehorigheid van de woning en het door de medebewoners als hinderlijk ervaren leefpatroon) meebrengen dat zij zich zodanig behoort te gedragen dat de overlast tot een minimum wordt beperkt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Kennelijk heeft de rechtbank de uitdrukkelijk in de huurovereenkomst neergelegde verplichting voor huurder zich te onthouden van gedragingen waarvan naar algemeen gangbare begrippen mag worden aangenomen dat zij overlast opleveren, zo uitgelegd. Toetsing nakoming huurder van deze verplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1993, 166 met annotatie van prof. mr. P.A. Stein
RvdW 1992, 214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 1992
Eerste Kamer
Nr. 14.740
AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de rechtpersoonlijkheid bezittende
WONINGVERENIGING BRUNSSUM ,

Gevestigd te Brunssum ,
EISERES tot cassatie,

advocaat: Mr. E. Grabant,

t e g e n

[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie
advocaat: Mr. J.W. van Leeuwen

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen de Woningvereniging - heeft bij exploit van 2 mei 1986 verweerster in cassatie - verder te noemen [verweerster] - op verkorte termijn gedagvaard voor de Kantonrechter te Heerlen en gevorderd de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning [a-straat 1] te [woonplaats] met onmiddellijke ingang te ontbinden en [verweerster] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

Nadat [verweerster] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 13 maart 1987 de Woningvereniging toegelaten getuigenbewijs te leveren en bij eindvonnis van 25 maart 1988 de vordering van de Woningvereniging toegewezen.

Tegen beide vonnissen heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.

Bij tussenvonnis van 11 januari 1990 heeft de Rechtbank een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 7 februari 1991 heeft de Rechtbank het eindvonnis van de Kantonrechter te Heerlen vernietigd en aan de Woningvereniging haar vordering ontzegd.

Het eindvonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft de Woningvereniging beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
[verweerster] heeft met ingang van 1 augustus 1985 van de Woningvereniging een woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] gehuurd, welke woning deel uitmaakt van een woonblok van vier duplexwoningen bestaande uit twee woningen op de begane grond en twee bovenwoningen.
[verweerster] bewoont een benedenwoning die is aangepast aan haar handicap, te weten jeugdreuma, welke haar noodzaakt voortdurend in een rolstoel te zitten door middel waarvan zij zich kan verplaatsen.
Er bestaat een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen [verweerster] en de - oudere - bewoners van de andere woningen in dit woonblok.
De Woningvereniging heeft van deze laatsten vele klachten ontvangen omtrent de overlast die zij van [verweerster] beweren te hebben ondervonden, maar zij heeft nooit zelf enig onderzoek naar de aard en de oorzaak van die klachten ingesteld.
De Woningvereniging heeft een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het pand ingesteld, welke vordering door de Kantonrechter is toegewezen, maar door de Rechtbank is afgewezen.

3.2 Onderdeel 1 berust op het uitgangspunt dat van [verweerster] kan worden gevergd dat zij zich onthoudt van gedragingen die overlast bezorgen aan medebewoners of derden, en richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van de Rechtbank dat van [verweerster] - slechts - kan worden gevergd dat zij haar uiterste best doet onder de gegeven omstandigheden de overlast voor de klagende bewoners tot een minimum te beperken. Onderdeel 2 voegt daaraan toe dat dit temeer geldt, nu in de huurovereenkomst is bepaald dat de huurder zich onthoudt van gedragingen waarvan naar algemeen gangbare begrippen mag worden aangenomen dat zij overlast bezorgen aan medebewoners of derden, aanwezig in de naburige percelen.
Met betrekking tot de omstandigheden van het geval heeft de Rechtbank vastgesteld dat de klachten van de bewoners uitsluitend betrekking hebben op geluidsoverlast, zowel vanuit de woning als van buiten de woning, dat de woningen gehorig zijn en dat [verweerster] , die kennelijk over een ruime kennissenkring beschikt, een leefpatroon heeft dat afwijkt van dat van de overige bewoners, ten gevolge waarvan dezen het leefpatroon van [verweerster] als hinderlijk ervaren.
Met haar oordeel dat van [verweerster] niet kan worden gevergd dat zij haar leven zo inricht dat het in de pas loopt met dat van de klagende medebewoners, maar dat wel van haar kan worden gevergd dat zij haar uiterste best doet onder de gegeven omstandigheden de overlast voor dezen tot een minimum te beperken, heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het [verweerster] weliswaar vrij staat een van de andere bewoners afwijkend levenspatroon te voeren, waarbij niet iedere vorm van overlast kan worden vermeden, maar dat de omstandigheden van het geval - de gehorigheid van de woningen en de omstandigheid dat het leefpatroon van [verweerster] door de andere bewoners als hinderlijk werd ervaren - meebrengen dat zij zich zodanig behoort te gedragen dat de overlast tot een minimum wordt beperkt. Aldus verstaan geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het voor het overige zodanig is verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het in cassatie niet verder kan worden getoetst. Het behoefde ook geen nadere motivering. Kennelijk heeft de Rechtbank de uitdrukkelijk in de huurovereenkomst neergelegde verplichting voor de huurder zich te onthouden van gedragingen waarvan naar algemeen gangbare begrippen mag worden aangenomen dat zij overlast opleveren, op overeenkomstige wijze uitgelegd. Dit oordeel, dat niet onbegrijpelijk is, kan wegens zijn feitelijke karakter in cassatie niet verder op zijn juistheid worden onderzocht.
De onderdelen zijn derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.3 Onderdeel 3 klaagt over onbegrijpelijkheid van de overweging van de Rechtbank dat de gestelde geluidsoverlast "in de allereerste plaats" betrekking heeft op woongeluiden. Anders dan bet middel veronderstelt, heeft de Rechtbank klaarblijkelijk de aangehaalde woorden slechts bedoeld als aanduiding van de volgorde van behandeling van de verschillende klachten, nl. die met betrekking tot woongeluiden en die met betrekking tot geluiden van buiten, en daarmee niet beoogd een oordeel uit te spreken over de ernst van de volgens de Woningvereniging uit de woongeluiden resp. de geluiden van buiten voortvloeiende overlast. Het onderdeel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.4 Bij haar beoordeling van de vraag of [verweerster] is tekortgeschoten in de nakoming van de hiervoor in rov. 3.2 omschreven verplichting zich zodanig te gedragen dat de overlast tot een minimum wordt beperkt, heeft de Rechtbank met betrekking tot de geluiden van buiten in aanmerking genomen dat deze afkomstig zijn van derden over wie [verweerster] geen zeggenschap heeft en van wie zij gedeeltelijk afhankelijk is. Hierin ligt het oordeel van de Rechtbank besloten dat voor de beantwoording van voormelde vraag mede van belang is of het in de omstandigheden van het geval voor [verweerster] mogelijk was en van haar kon worden gevergd deze geluiden te voorkomen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Onderdeel 4 faalt mitsdien.

3.5 Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank voor de beantwoording van voormelde vraag ook van betekenis geacht hetgeen [verweerster] behoorde te weten omtrent de concrete gedragingen die van haar warden verlangd ter nakoming van haar verplichting de overlast tot een minimum te beperken. In dat kader heeft de Rechtbank geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden op de weg van de Woningvereniging - die op de hoogte was van de gehorigheid van de woningen, van de handicap van [verweerster] ten gevolge waarvan zij gebruik moet maken van een rolstoel en op de hulp van anderen aangewezen is, alsmede van het leeftijdsverschil tussen [verweerster] en de andere bewoners - dit bij het aangaan van de huurovereenkomst met [verweerster] te bespreken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder op zijn juistheid worden getoetst.

Het behoefde ook geen nadere motivering. De onderdelen 5 en 6 stuiten hierop af.

3.6 Onderdeel 7, dat voortbouwt op de hiervoor besproken onderdelen, moet het lot daarvan delen.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Woningvereniging in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 2.875,--, op voet van art. 57b Rv. Te voldoen aan de Griffier.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren Roelvink, als voorzitter, Korthals Altes en Neleman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids, op 2 oktober 1992.