Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1992:ZC0665

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-1992
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
14852
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1992:9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Immateriële schadevergoeding. Kort geding. Patiënt ziekenhuis besmet met AIDS nadat bij hem een spuit wordt gebruikt die kort daarvoor was gebruikt voor een patiënt met AIDS. Begroting schadevergoeding; bij beoordeling te betrekken omstandigheden. Acht slaan op rechtsontwikkeling in andere landen met betrekking tot toegekende bedragen? Spoedeisend belang.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1992, 714
RvdW 1992, 189
VR 1992, 133 met annotatie van A.J.O. van Wassenaer van Catwijck
PS-Updates.nl 2019-0987
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 juli 1992

Eerste Kamer

Nr. 14.852

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ACADEMISCH ZIEKENHUIS BIJ DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM, ACADEMISCH MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Amsterdam,

EISER tot cassatie,

advocaat: Mr. R.V. Kist,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: Mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen [verweerder] - heeft bij exploit van 10 januari 1991 eiser tot cassatie - verder te noemen het AMC - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd het AMC te veroordelen om binnen 5 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan hem te betalen de somma van f 200.000,-- als voorschot op het in de bodemprocedure door de Rechtbank aan hem toe te wijzen bedrag.

Nadat het AMC tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 31 januari 1991 de vordering toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft het AMC hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 27 juni 1991 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft het AMC beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door Mr. M.A.J.G. Janssen, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Niet bestreden zijn de volgende vaststellingen van President en Hof:

(i) Op 5 september 1989 is [verweerder] op de afdeling Nucleaire Geneeskunde van het AMC door een arts in opleiding intraveneus ingespoten met een spuit die net tevoren gebruikt was voor een AIDS-patiënt en die nog een kleine hoeveelheid bloed van die AIDS-patiënt bevatte.

(ii) Ten tijde van de inspuiting was [verweerder] 57 jaar oud. Hij lag in het ziekenhuis wegens andersoortige medische problemen. Zijn levensverwachting was, de besmetting weggedacht, normaal. Ten tijde, van 's Hofs arrest had [verweerder] nog slechts een zeer beperkte levensverwachting.

(iii) Na de fatale vergissing met de injectiespuit heeft [verweerder] voortdurend met de dood voor ogen moeten leven en in aanhoudende angst dat de ziekte AIDS zich openbaarde. Voor [verweerder] heeft het bestaan door de fout in het AMC niet alleen lichamelijk, maar in alle opzichten in zeer ernstige mate aan kwaliteit ingeboet. Ook de psychische druk is onbeschrijfelijk. Zijn situatie creëert een onvermijdelijke afstand in de intieme relatie met zijn echtgenote en in het contact met zijn kinderen en kleinkinderen, terwijl hij ook in zijn overige sociale leven steeds sterker geïsoleerd zal raken.

(iv) Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. heeft namens AMC de aansprakelijkheid voor de gemaakte fout erkend. Zij acht een bedrag van f 150.000,-- voldoende als volledige vergoeding van alle door [verweerder] geleden schade. Dit bedrag is inmiddels aan [verweerder] betaald. Van dit bedrag moet een bedrag van f 50.000,-- worden aangemerkt als vergoeding van vermogensschade. Deze schade is in cassatie niet meer aan de orde.

(v) [verweerder] heeft bij de Rechtbank te Amsterdam een bodemprocedure aangespannen waarin hij voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat een bedrag van f 800.000,-- vordert.

In dit kort geding vordert [verweerder] ter zake van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat een voorschot van f 200.000,--. De President heeft deze vordering toegewezen. Het Hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd.

3.2 Het middel richt zich tegen hetgeen het Hof in de rov. 4.6 - 4.11 heeft overwogen. Dit kan als volgt worden samengevat.

Het Hof stelt voorop (rov. 4.7) dat de President een vergoeding van in totaal f 300.000,-- voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, ''in ieder geval op zijn plaats'' acht. Het Hof vervolgt dan (rov. 4.8) dat AMC niet betwist ''dat hetgeen [verweerder] is overkomen behoort tot de groep van ernstige gevallen waarin letselschade is toegekend'' en dat het verweer van AMC veeleer is dat zich in de rechtspraak voor de ernstige gevallen een ''bovengrens'' heeft afgetekend van f 100.000,-- à f 150.000,--, dat door de uitspraak van de President de ''verhouding tot andere smartegelduitspraken is scheefgetrokken'' en dat de President in kort geding terughoudendheid had moeten betrachten ''bij het doorbreken van de gangbare maatstaven''.

Het Hof heeft dit verweer verworpen en heeft geconcludeerd dat deze bovengrens niet langer bestaat (rov. 4.11, eerste volzin), zulks op de grond dat de Nederlandse rechter in twee eerdere zaken de vergoeding op een hoger bedrag heeft begroot (rov. 4.9) en dat de vergoedingen in de meeste van de ons omringende landen (aanmerkelijk) hoger liggen dan in Nederland (rov. 4.10).

In rov. 4.11 oordeelt het Hof voorts dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter een vordering van [verweerder] van f 300.000,-- zal toewijzen. Er bestaat naar het oordeel van het Hof geen reden dit bedrag wegens de aard van de aansprakelijkheid (beroepsaansprakelijkheid; geen geval van lichte schuld) of de aard van de schade (niet-vermogensschade) te ''matigen''. Met dit laatste brengt het Hof tot uitdrukking dat het bij zijn oordeelsvorming ook deze factoren in aanmerking heeft genomen.

3.3 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

Ook naar het vóór 1 januari 1992 geldende, hier toepasselijke recht heeft iemand die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen, recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het door hem geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Bij de begroting van deze vergoeding dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden.

Hierbij moet in een geval als het onderhavige met name worden gedacht aan enerzijds de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg zijn van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Onder het verdriet is ook begrepen het verdriet dat het slachtoffer heeft doordat als gevolg van deze gebeurtenis zijn levensverwachting is bekort.

Ook van deze schade is de begroting voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Die begroting is sterk met de feiten verweven en kan in zoverre in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst, terwijl de rechter daarbij ook niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs. Wel zal in cassatie kunnen worden getoetst of de rechter heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, of ter zake van de wijze van begroting (vergelijk HR 18 april 1986, NJ 1986, 567).

Het ligt in de rede dat de rechter bij zijn begroting let op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen. Geen rechtsregel belet de rechter mede acht te slaan op de ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen, zij het dat deze ontwikkelingen niet beslissend kunnen zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen.

De rechter in kort geding kan ook met betrekking tot nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, een voorschot op de schadevergoeding toekennen. Deze rechter zal niet alleen hebben te onderzoeken of uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, maar ook of uiteindelijke toewijzing van de vordering van het slachtoffer op de aansprakelijke persoon naar zijn voorlopig oordeel voldoende aannemelijk is, terwijl hij tevens in de afweging van de belangen van partijen zal hebben te betrekken het risiko dat geen restitutie kan worden verkregen van het ter voldoening aan de uitspraak in kort geding betaalde voorschot, indien uit een uitspraak in het bodemgeschil voortvloeit dat dit voorschot moet worden terugbetaald (vergelijk HR 20 maart 1985, NJ 1986, 84).

3.4 Het betoog van onderdeel 1 dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld ''dat een vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding in kort geding rechtens mogelijk is en dat daarbij een spoedeisend belang aanwezig kan zijn'' stuit af op het hiervoor in 3.3 overwogene.

Het Hof heeft geoordeeld dat in dit geval uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, zulks op de gronden dat [verweerder] nog slechts een zeer beperkte levensverwachting heeft en dat wil hij zelf nog over de vergoeding kunnen beschikken, niet eerst de - naar verwachting nog jaren durende - bodemprocedure kan worden afgewacht (rov. 4.2 - 4.3). Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan verder in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De overige klachten van het onderdeel stuiten hierop af.

3.5 Voor zover onderdeel 2 betoogt dat de waardering van de omstandigheden die voor de begroting van niet-vermogensschade van belang zijn, is voorbehouden aan de bodemrechter, miskent het dat, zoals hiervoor in 3.3 is opgemerkt, de rechter in kort geding moet onderzoeken of toewijzing van de vordering van het slachtoffer voldoende aannemelijk is. Daarbij zal de rechter in kort geding ook evenbedoelde omstandigheden in zijn overwegingen moeten betrekken.

Voor zover het onderdeel betrekking heeft op het hiervoor aan het slot van 3.3 besproken restitutierisiko, ziet het eraan voorbij dat AMC hierop in de feitelijke instanties geen beroep heeft gedaan, zodat het Hof niet gehouden was hierop in te gaan. Voor zover het onderdeel hier klaagt dat 's Hofs beslissing nadeel toebrengt aan de zaak ten principale, miskent het dat het de bodemrechter vrijstaat een lager bedrag aan schadevergoeding toe te kennen dan de rechter in kort geding als voorschot heeft toegekend.

3.6 Anders dan onderdeel 3 betoogt, belette geen rechtsregel het Hof, zoals hiervoor in 3.3 al is gezegd, mede acht te slaan op de rechtsontwikkeling in andere landen, ook al zou door partijen daaromtrent niets zijn aangevoerd. De stelling dat het Hof heeft miskend dat de schade moet worden vastgesteld ''naar de hier in Nederland geldende normen en de rechtsontwikkeling in Nederland'', mist feitelijke grondslag, aangezien het Hof klaarblijkelijk Nederlandse maatstaven beslissend heeft geacht.

3.7 Onderdeel 4 komt niet - evenmin trouwens als de andere onderdelen - op tegen 's Hofs vaststelling (rov. 4.8) dat ''AMC niet heeft betwist dat hetgeen [verweerder] is overkomen behoort tot de groep van ernstige gevallen waarin letselschade wordt toegekend''. Het onderdeel betoogt dat het Hof in de rov. 4.9 en 4.10 heeft miskend dat de aldaar besproken gevallen geheel anders zijn dan het onderhavige geval en dat ''een vergelijking van gevallen en de daarvoor in aanmerking komende factoren zonder afweging daarvan niet (goed) mogelijk is en in het bijzonder de leeftijd van het slachtoffer en derhalve de tijd gedurende welke de immateriële schade geleden zal worden een belangrijke factor is'', evenals de fysieke gevolgen van de verwondingen.

Uit het hiervoor in 3.3 gezegde vloeit voort dat de in het onderdeel genoemde factoren van belang zijn bij de begroting van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Niettemin kan dit betoog niet tot cassatie leiden, omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van hetgeen het Hof in de rov. 4.9 en 4.10 heeft overwogen. Deze overwegingen behelzen niet, zoals het onderdeel veronderstelt, een ''vergelijking van gevallen'' met inachtneming van de daarbij relevante factoren; zoals hiervoor in 3.2 is uiteengezet, weerlegt het Hof in deze rechtsoverwegingen slechts het verweer van AMC omtrent de ''bovengrens'' van dit soort vergoedingen.

Voor zover het onderdeel met betrekking tot de positie van de rechter in kort geding voortbouwt op onderdeel 2, moet het het lot daarvan delen.

3.8 Hetzelfde geldt, voor zover onderdeel 5 voortbouwt op de voorafgaande onderdelen.

Voor zover het klaagt dat 's Hofs oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter een vordering van [verweerder] van f 300.000,-- zal toewijzen, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, faalt het. In aanmerking genomen dat de rechter in het algemeen bij de begroting van schade een grote vrijheid toekomt en dat het hier gaat om toekenning van een voorschot in kort geding, alsmede dat het Hof bij zijn oordeelsvorming mede heeft gelet op hetgeen het in rov. 3.3 had overwogen (hetgeen hiervoor in 3.1 onder (iii) is samengevat), is 's Hofs oordeel - wat er zij van de hoogte van het toegekende bedrag in welk opzicht dat oordeel voor verantwoording van het Hof moet blijven - naar de eis der wet met redenen omkleed.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt AMC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 1.357,20 aan verschotten en f 2.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Neleman, Heemskerk en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Van den Blink op 8 juli 1992.