Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1991:ZC0338

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-1991
Datum publicatie
25-11-2021
Zaaknummer
14509
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1991:23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verplichting debiteur tot verschaffen van inzicht in zijn inkomens- en vermogenspositie aan crediteur. Ontbonden maatschap; incassobevoegdheid vennoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 1992, 552 met annotatie van J.B.M. Vranken
RvdW 1991, 201
V-N 1993/858, 14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 september 1991

Eerste Kamer

Nr. 14.509

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,

gevolmachtigd en vertegenwoordigend de leden van de op 1 april 1988 ontbonden maatschap [A] , in casu: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ,

allen wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie, incidenteel verweerder,

Advocaat: Mr. D.J. van Schravendijk,

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser,

Advocaat: Mr. G.M.M. den Drijver.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — heeft bij exploot van 23 februari 1989 verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] in zijn voormelde hoedanigheid te betalen de som van ƒ 674.445,81 met de wettelijke rente daarover vanaf 30 december 1988, en [verweerder] te bevelen aan [eiser] alle in de dagvaarding omschreven justificatoire bescheiden, althans fotokopieën daarvan af te geven, en het te dezen te wijzen vonnis voor wat betreft de afgifte van de justificatoire bescheiden tot zoverre uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren en [eiser] verlof te verlenen, tot de dadelijke tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis uitgesproken lijfsdwang en [verweerder] met onmiddellijke ingang in gijzeling te doen stellen voor de tijd welke nodig is totdat [verweerder] voormelde bescheiden en/of verklaringen heeft afgegeven of heeft doen afgeven, dan wel aan de inhoud van dit vonnis heeft voldaan, doch ten hoogste voor de duur van 1 jaar.

Nadat [verweerder] tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 24 februari 1989 de vorderingen van [eiser] toegewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarna [eiser] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld en bij memorie van antwoord zijn eis heeft verminderd met een bedrag van ƒ 20.000,-- en vermeerderd c.q. veranderd door overlegging van nog andere bescheiden te vorderen, waartegen [verweerder] zich niet heeft verzet.

Bij arrest van 3 mei 1990 heeft het Hof in het principaal appel het bestreden vonnis vernietigd, [verweerder] veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 400.000,-- met de wettelijke rente daarover vanaf 30 december 1988, en in het principaal en incidenteel appel het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld, waarna [verweerder] incidenteel beroep heeft ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van de beroepen.

De zaak is voor partijen mondeling toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van zowel het principaal als het incidenteel beroep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 De door [eiser] in dit kort geding ingestelde vordering heeft betrekking op declaraties tot een totaalbedrag van ƒ 674.445,81 van de inmiddels ontbonden maatschap [A] wegens aan [verweerder] door het lid van de toenmalige maatschap mr. [betrokkene 4] over de periode 1984 tot 1988 verleende rechtshulp.

Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld:

- dat indertijd, naar aanleiding van een mededeling medio 1984 van [verweerder] aan [betrokkene 4] dat hij niet bij machte zou zijn de aan de rechtsbijstand verbonden kosten te voldoen, na overleg binnen de maatschap is besloten dat tot het einde van de strafzaak geen declaraties meer zouden worden verzonden en vervolgens allereerst getracht zou worden die kosten te incasseren op basis van art. 591a Sv.;

- dat met het oog op het verzoek ex art. 591a op 6 september 1988 de onderhavige declaraties aan [verweerder] zijn toegezonden;

- dat daarbij uitdrukkelijk is afgesproken dat de ondertekening door [verweerder] van dat verzoek niet ten gevolge zou hebben dat het hem niet meer zou vrijstaan de hoogte van de vordering te betwisten; en

- dat het verzoek tot het vergoeden van rechtsbijstand door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch is afgewezen en alleen een vergoeding voor reis- en verblijfkosten is toegekend.

[eiser] vordert thans niet alleen betaling van het gedeclareerde bedrag maar ook, in verband met het beroep van [verweerder] op zijn onvermogen om te betalen, afgifte van een groot aantal justificatoire bescheiden (of fotokopieën daarvan) op de grond — kort gezegd — dat [verweerder] weigert openheid van zaken te geven over zijn werkelijke vermogens- en inkomenspositie en dat hij, [eiser] , recht heeft op die openheid van zaken.

3.2 Het Hof heeft, anders dan de President, de vordering tot afgifte van justificatoire bescheiden niet toewijsbaar geoordeeld; het heeft de vordering tot betaling toegewezen tot een bedrag van ƒ 400.000,-- ‘’bij wege van voorschot’’.

De middelen in het principaal beroep richten zich tegen beide beslissingen; het middel in het incidenteel beroep bestrijdt de laatste beslissing alsmede de toewijsbaarheid (in kort geding) van de vorderingen als zodanig.

4. Beoordeling van de middelen in het principaal beroep

4.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de vordering tot het overleggen van bescheiden in feite neerkomt op de eis dat [verweerder] tegenover [eiser] rekening en verantwoording aflegt ‘’met betrekking tot zijn financiële handel en wandel in het verleden en heden’’ en dat daarvoor in dit geval geen rechtsgrond aanwezig is, evenmin als voor de verlangde overlegging van boekhouding (rov. 33 en 34).

Middel I bestrijdt dit oordeel als zodanig niet, maar betoogt dat de vordering had moeten worden toegewezen op de grond dat het bepaalde bij de art. 1177 en 1178 BW (‘’waaruit voortvloeit dat [verweerder] met zijn gehele vermogen heeft in te staan voor de nakoming van zijn verplichtingen’’) en ‘’de eisen van redelijkheid en billijkheid krachtens welke partijen bij de uitvoering van een overeenkomst zich jegens elkaar hebben te gedragen’’ met zich brengen dat [eiser] in geval van gerede twijfel aan de juistheid van het beroep op onvermogen, het recht heeft een vordering als de onderhavige in te stellen ‘’ter vaststelling van de juistheid van [verweerder] mededeling en/of ter determinering van mogelijke verhaalsobjecten’’.

Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Een schuldenaar is wel in beginsel verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Zulks is aanvaard bij de parlementaire behandeling van het eerste gedeelte van de Invoeringswet van de Boeken 3, 5 en 6 NBW (MvA. Bijl. Hand. II 1981–1982, 16 593, nr. 5, blz. 11–12). Het is thans ook tot uitdrukking gebracht in art. 475g Rv. (ingevoegd bij de Wet van 13 december 1990, Stb. 605, in werking getreden op 1 april 1991).

Maar het strookt niet met het wettelijk stelsel aan deze verplichting een praktische uitwerking te geven als door het middel voorgestaan. Zulks zou immers niet te verenigen zijn met de beperkte kring van personen die van een schuldenaar rekening en verantwoording, onderscheidenlijk overlegging van de boekhouding kunnen vergen, terwijl ook evenbedoelde parlementaire behandeling geen steun biedt aan de opvatting van het middel.

Een en ander brengt mee dat in een situatie als hier aan de orde is, een vordering tot afgifte van een groot aantal justificatoire bescheiden aan een individuele schuldeiser niet toewijsbaar is. Het moet worden overgelaten aan de curator, nadat de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard, om desgewenst zulk een afgifte te bewerkstelligen, hetgeen dan plaatsvindt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en onder toezicht van de rechter-commissaris, zoals ook wenselijk moet worden geacht met het oog op de vraag of het afdwingen van die afgifte in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.

Middel I faalt derhalve.

4.2 Middel II faalt eveneens omdat het Hof kennelijk in de door het middel genoemde nadere overeenkomst van medio 1984 welke volgens de stellingen van [eiser] inhield dat [verweerder] de declaraties zou betalen zodra hij daartoe financieel bij machte zou zijn, niet een verplichting van [verweerder] tot het verschaffen van de thans van hem gevorderde bescheiden besloten heeft geoordeeld en 's Hofs uitleg van die overeenkomst niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde.

4.3 Middel III faalt omdat het Hof, constaterend dat de omvang van het verschuldigde bedrag tussen partijen niet vaststaat en dat [verweerder] in appel de hoogte daarvan gemotiveerd heeft bestreden, in deze kort geding procedure niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet verder te gaan dan tot veroordeling van [verweerder] tot betaling van een voorschot, het aan de bodemrechter overlatende om op grond van de door partijen aangedragen argumenten vast te stellen welk bedrag definitief ter zake door [verweerder] aan [eiser] diende te worden voldaan.

4.4 Middel IV tenslotte kan evenmin slagen omdat het feitelijke grondslag mist. Het berust immers op de stelling dat ook het Hof, evenals kennelijk de President, ervan is uitgegaan dat [verweerder] moest worden aangemerkt als een debiteur die te kwader trouw is, en miskent dat het Hof juist blijk geeft te oordelen dat aan dit uitgangspunt de grondslag is ontvallen, nu ten aanzien van de ‘’bewuste’’ (dat wil zeggen door de president in dit verband genoemde) uitkering die [verweerder] van het ABP had ontvangen ‘’voorshands onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze door [verweerder] op ongeoorloofde wijze aan het verhaal van zijn crediteuren is onttrokken’’ (rov. 36).

5. Beoordeling van het middel in het incidenteel beroep

5.1 Onderdeel 1 kan niet slagen. 's Hofs oordeel dat in de gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk is dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is genoegzaam gemotiveerd.

5.2 Onderdeel 2 faalt eveneens. Het miskent dat het hier gaat om een vordering van de maatschap van welke vordering, naar het Hof heeft geoordeeld, op grond van het dienaangaande bepaalde in de akte tot ontbinding van die maatschap en de schriftelijk vastgelegde latere afspraken tussen de leden van de ontbonden maatschap de incasso door [eiser] ter hand kon worden genomen. Door op grond van zijn uitleg van de tussen de maten gemaakte overeenkomsten te oordelen dat voor de bevoegdheid van [eiser] tot incassering van die vordering een schriftelijke akte tot overdracht niet was vereist, heeft het Hof geen rechtsregel geschonden. Zijn oordeel behoefde ook geen nadere motivering.

5.3 Onderdeel 3 kan evenmin slagen. Het beroep van [verweerder] op een ‘’no cure no pay’’ afspraak die hij uit de door de maatschap gevolgde gedragslijn heeft afgeleid en waarbij ‘’no cure’’ betrekking zou hebben op het afgewezen verzoek ex art. 591a Sv., heeft het Hof verworpen op twee zelfstandig dragende gronden. In de eerste plaats acht het Hof dit beroep onaannemelijk omdat [verweerder] op de declaraties afbetalingen heeft gedaan; in de tweede plaats acht het Hof dit beroep onaannemelijk omdat naar 's Hofs oordeel niet valt in te zien dat een beroep op de afwijzing van een verzoek ex art. 591a ‘’ook in de weg zou staan aan de vordering tot betaling van de aan [verweerder] in de strafzaak verleende rechtsbijstand, waarvan in casu sprake is, in welke strafzaak immers uiteindelijk een vrijspraak is gevolgd’’. Met dit laatste brengt het hof tot uitdrukking dat indien al een ‘’no cure no pay’’ afspraak uit de gedragslijn van de maatschap mag worden afgeleid, deze geacht moet worden betrekking te hebben op het resultaat dat in de strafzaak werd bereikt, niet op het resultaat van een verzoek ex art. 591a. Deze laatste grondslag voor 's Hofs verwerping van dit verweer wordt door het onderdeel niet bestreden, zodat het, ook indien het zou opgaan, niet tot cassatie kan leiden.

5.4 Onderdeel 4 richt zich tevergeefs tegen 's Hofs oordeel dat ‘’voorshands voldoende aannemelijk is dat [verweerder] , die het aantal in de declaraties opgevoerde uren niet heeft betwist, in elk geval een aanzienlijk bedrag aan [eiser] verschuldigd is’’ (rov. 26). Het Hof heeft het bezwaar van [verweerder] tegen de declaraties — afgezien van het door het Hof verworpen beroep op een ‘’no cure no pay’’ afspraak — gelezen als een beroep op de onredelijke hoogte van het totale bedrag (rov. 24), aan welk bezwaar het Hof is tegemoet gekomen door slechts betaling van een gedeelte als voorschot te bevelen. Een beroep op een afspraak dat zou worden afgerekend op basis van een (alsnog aan te vragen) toevoeging, zoals het onderdeel thans aanvoert, heeft het Hof kennelijk niet in het betoog van [verweerder] gelezen, hetgeen te meer begrijpelijk is nu uit de gedingstukken blijkt dat het Buro voor Rechtshulp een indertijd aangevraagde toevoeging heeft geweigerd.

5.5 Onderdeel 5 tenslotte faalt omdat het Hof niet nader behoefde te motiveren waarom het oordeelde dat [eiser] bij het verkrijgen van een titel belang had, nu zulks vanzelf spreekt.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principaal beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [verweerder] tot deze uitspraak begroot op ƒ 3.700,--, op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier;

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 150,-- aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Hermans, Bloembergen, Boekman en Davids, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 20 september 1991.