Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:1991:2

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-02-1991
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
88.727 M
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1991:13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Militaire zaak. Weigeren van bloedproef (art. 33a.6 WVW) en doorrijden na aanrijding (art. 30.1.a WVW). Onrechtmatig verkregen bewijs verweer. 1. Bevoegdheid tot binnentreden opsporingsambtenaren. Is legeringskamer in legeringsgebouw, waarin zich 3 mariniers bevinden, aan te merken als woning in de zin van art. 120 Sv? 2. Zijn opsporingsambtenaren tegen wil van bewoners legeringskamer binnengetreden? 3. Is optreden van verbalisanten disproportioneel, nu zij huisrecht van verdachte hebben geschonden? 4. Onvolledige vermelding wetsartikelen waarop straf is gegrond.

Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat slaapvertrek geen woning is, nu op deze kamer militairen, die nacht niet thuis in hun woning kunnen doorbrengen, gelegerd zijn in die zin dat zij daar onder verantwoordelijkheid van militair gezag hun kleding en uitrusting (kunnen) opbergen en nacht (kunnen) doorbrengen. Op voormelde gronden heeft Hof zonder miskenning van het recht kunnen oordelen dat onderhavig vertrek geen woning is in de zin van art. 120 e.v. Sv.

Ad 2. Middel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het zich richt tegen een door Hof ten overvloede gegeven overweging.

Ad 3. Standpunt van middel moet lot van eerste middel delen. V.zv. wordt betoogd dat Hof ongemotiveerd aan verweer dat optreden van verbalisanten in strijd is met beginsel van subsidiariteit is voorbijgegaan, mist middel feitelijke grondslag. ’s Hofs oordeel dat niet kan worden gezegd dat door opsporingsambtenaren gevolgde werkwijze onnodig ingrijpend was en dat voor onderbreken van opsporingsonderzoek tot volgende morgen geen enkele reden was, is niet onbegrijpelijk en geeft niet blijk van verkeerde rechtsopvatting. Tot nadere motivering van verwerping van dit verweer was Hof niet gehouden.

Ad 4. HR ambtshalve: Hof heeft verzuimd onder wettelijke voorschriften waarop opgelegde straffen zijn gegrond te vermelden art. 35 en 39 WVW. HR geeft toepassing aan art. 442 Sv en verstaat dat deze voorschriften behoren tot wettelijke voorschriften waarop strafoplegging is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 februari 1991

Strafkamer

nr. 88.727 M
AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen sententie van het Hoog Militair Gerechtshof van 25 oktober 1989 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Permanente Krijgsraad Nederland voor de Zeemacht te 's-Gravenhage van 28 april 1989 - de verdachte ter zake van 1. "handelen in strijd met artikel 33a zesde lid van de Wegenverkeerswet" en 2. ‘’handelen in strijd met artikel 30 eerste lid aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet" veroordeeld tot twee

weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van éénduizendvijfhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis, met ten aanzien van feit 2. ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de beklaagde. Namens hem heeft Mr. A.C.M. Verhoeven, advocaat te Rotterdam, de volgende middelen van cassatie voorgesteld:

Middel 1

Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, in het bijzonder de artikelen 120-123 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof ten onrechte de legeringskamer, waarin requirant, tezamen met een tweetal andere mannen, ten tijde van het binnentreden van de opsporingsambtenaren lag te slapen niet heeft aangemerkt als een woning in de zin van artt. 120-123 van het Wetboek van Strafvordering.

Toelichting

Zijdens requirant is zowel voor de Zeekrijgsraad als voor het Hof betoogd dat de legeringskamer waarin requirant tezamen met een tweetal overige mariniers lag te slapen tijdens het binnentreden van de opsporingsambtenaren en vervolgens is aangehouden door de opsporingsambtenaren, aangemerkt moet worden als een woning in de zin van de artt. 120-123 van het Wetboek van Strafvordering. De twee andere mannen, beiden mariniers, waren voor de periode van een aantal maanden gedetacheerd op het marinevliegkamp "De Kooy" te Den Helder. Gedurende die periode hadden zij de beschikking over de betreffende legeringskamer, die gelegen is in een gebouw, waarin zich meerdere soortgelijke vertrekken bevinden. Requirant was ten behoeve van het volgen van een speciale cursus gedurende enkele weken gedetacheerd op het marinevliegkamp "De Kooy". Voor deze periode is aan hem een slaapplaats in hetzelfde vertrek ter beschikking gesteld. Een legeringskamer als de onderhavige moet, gelet op het gebruik daarvan, worden aangemerkt als de plaats waar militairen zich na "werktijd" terug kunnen trekken, waar zij de nacht doorbrengen en waar zij hun privacy kunnen vinden.

Als "woning" in de zin van art. 120 Wetboek van Strafvordering kan volgens de doctrine een rechtspraak worden aangemerkt de plaats waar iemand zijn privé-leven leidt, waarin hij zich van de buitenwereld kan afsluiten, waar een slaapgelegenheid aanwezig is, etc. Men vergelijke:

- Vellinga-Schootstra, "In beslagneming en huiszoeking", Dissertatie Groningen 1982, blz. 114 e.v.;

- Melai, "Wetboek van Strafvordering", aantekening 5 op de artt. 121-123 Wetboek van Strafvordering;

- Mevis P.A.M., "Binnen zonder kloppen?", Dissertatie Nijmegen 1989, blz. 8 e.v.

Het Hof heeft overwogen:

"Voorts deelt het Hof niet de zienswijze van de raadsman, dat onderhavige slaapvertrek in het legeringsgebouw een woning is in de zin van de artt. 120-123 van het Wetboek van Strafrecht (I, AV) op de bedoelde kamer zijn militairen, die de nacht niet thuis in een woning kunnen doorbrengen, gelegerd in die zin, dat zij daar onder verantwoordelijkheid van het militair gezag hun kleding en uitrusting (kunnen) opbergen en de nacht (kunnen) doorbrengen. Op grond van het gestelde in art. 55 van het Wetboek van Strafrecht mochten de opsporingsambtenaren deze ruimte betreden." 

Requirant is van oordeel, dat voornoemde overweging van het Hof een onvoldoende gemotiveerde weerlegging van het zijnerzijds aangevoerde is. Daarnaast leidt de motivering van het Hof gegeven de heersende opvatting omtrent het begrip "woning" niet tot de conclusie dat de onderhavige legeringskamer geen woning is en derhalve is het Hof van een verkeerde rechtsopvatting uitgegaan. Een legeringskamer als de onderhavige is zeer wel te vergelijken met een hotelkamer. Een hotelkamer is naar de heersende rechtsopvatting te beschouwen als een woning in de zin van de artt. 120-123 Wetboek van Strafvordering (vgl. o.m. Arrondissementsrechtbank Dordrecht, 7 december 1981, NJ 1982, 169). In analogie aan de hotelkamer, is een legeringskamer naar aard een plaats voor privé-huiselijk leven en dient aldus als woning te worden beschouwd in de zin van art. 120 Wetboek van Strafvordering (Vgl. Mevis, a.w. blz. 14). Dat een legeringskamer is aan te merken als een woning in de zin van art. 120 van het Wetboek van Strafvordering, komt naar voren uit de conclusie van A.-G. Fokkens in het arrest van uw Raad van 31 januari 1989, zoals gepubliceerd in het MRT, jaargang LXXXII, aflevering 3 blz. 69 e.v. Fokkens stelt daarin onder meer:

"Tegen het binnentreden van de kamer is ter zitting van het Hof namens verzoeker geen nader bezwaar gemaakt, dan dat er onvoldoende zou blijken van één het onderzoek rechtvaardigende verdenking. Niet is aangevoerd dat de betreding van de legeringskamer tegen de wil van de op die kamer verblijvende personen, waaronder verzoeker, zou zijn geschied. Derhalve kon het Hof, in het midden latend of er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verzoeker, tot het oordeel komen dat de betreder van de legeringskamer en het constateren dat er één op hashish gelijkende stof op het bed lag, niet op onrechtmatige wijze waren geschied.".

Geconcludeerd moet worden dat een legeringskamer als de onderhavige aangemerkt dient te worden als een woning in de zin van de artt. 120-123 Wetboek van Strafvordering, en dat aldus het binnentreden c.q. binnentreden daarvan tegen de wil van de bewoner(s) slechts kan geschieden indien de opsporingsambtenaren in het bezit zijn van een bijzondere of algemene last tot binnentreding.

Het binnentreden van de legeringskamer tegen de wil van de bewoner zonder algemene of bijzondere last, maakt dat de opsporingsambtenaren niet in de rechtmatige uitoefening van hun functie waren, waardoor de aldaar verkregen bewijsmiddelen, c.q. de verdenking die in die situatie jegens [verdachte] gerezen is, niet gebezigd kunnen worden met betrekking tot de bewezen verklaring van het aan [verdachte] ten laste gelegde, aangezien dit bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen moet worden beschouwd.

Middel 2

Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat de opsporingsambtenaren niet tegen de wil van de bewoners de legeringskamer binnengetreden zijn.

Toelichting

Het Hof heeft overwogen:

"Terzijde merkt het Hof hierbij nog op dat zo genoemde kamer al als (deel van een) woning zou zijn te beschouwen, (quod non) deze door de opsporingsambtenaren niet tegen de wil van de daarin aanwezigen is betreden. Uit het procesdossier blijkt nergens van bezwaren tegen die aanwezigheid van de opsporingsambtenaren in de legeringskamer, niet toen hun binnenkomst voor de aanwezigen die lagen te slapen, duidelijk werd omdat de opsporingsambtenaren vragen begonnen te stellen, maar ook niet daarna.".

Het Hof is, door aldus te overwegen, voorbij gegaan aan het bijzondere karakter van het onderhavige geval.

Het bijzondere karakter van de situatie waarin de opsporingsambtenaren de legeringskamer hebben betreden, wordt hieronder nader uiteen gezet.

Op de eerste plaats lagen zowel requirant, als diens twee kamergenoten op het moment van binnentreden door de opsporingsambtenaren te slapen. De opsporingsambtenaren hebben requirant wakker gemaakt en hem na enkele vragen gesteld te hebben, medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, aangezien hij verdacht werd van het plegen van een strafbaar feit. In beginsel moet het binnentreden door de opsporingsambtenaren in de kamer waar requirant lag te slapen alleen al onrechtmatig geacht worden (vgl. Venninga-Schootstra, a.w. blz. 118).

Daarnaast speelt de omstandigheid, dat requirant, eenmaal gewekt, niet noodzakelijkerwijze inzicht kon hebben in de ambtelijke hoedanigheid waarin de leden van de Koninklijke Marechaussee binnen getreden waren. Het is immers niet ongebruikelijk dat wachtsvolk 's-nacht legeringskamers betreedt ter inspectie. Daarnaast zijn leden van de marechaussee naast hun opsporingstaak, belast met de handhaving van de militaire tucht. De leden van de Koninklijke Marechaussee die de kamer betraden, hebben niet kenbaar gemaakt, dat zij in hun hoedanigheid van opsporingsambtenaar de kamer binnen getreden waren. In het kader van de handhaving van de militaire tucht, zou het betreden van de legeringskamer wel geoorloofd zijn geweest, althans zou bij het binnentreden van de kamer geen rekening gehouden moeten worden met de artt. 120-123 van het Wetboek van Strafvordering.

Requirant is door de opsporingsambtenaren geen reëele keuzemogelijkheid gelaten om al dan niet hun aanwezigheid te dulden. Na een tweetal vragen aan requirant, die in een slaapdronken toestand verkeerde, hebben zij hem vrijwel direct de cantie ex art. 29 Wetboek van Strafvordering gegeven waarna requirant in feite voor een fait accompli stond en de facto in alle redelijkheid niet meer de gelegenheid had om zich tegen de aanwezigheid van de opsporingsambtenaren te verzetten. Overigens is niet aannemelijk, dat de leden van de Koninklijke Marechaussee op de hoogte waren van het feit dat de legeringskamer mogelijkerwijs als een woning in de zin van artt. 120-123 Strafvordering moest worden aangemerkt. De Koninklijke Marechaussee kent immers geen enkele interne instructie waar het gaat om het betreden van kazernes, slaapzalen, e.d. De leden van de Koninklijke Marechaussee zijn in het geheel niet op de hoogte van de omstandigheid dat er bij het betreden van legeringskamers, sprake kan zijn van een mogelijke schending van art. 12 van de Grondwet. Het is derhalve niet onaannemelijk, dat de opsporingsambtenaren niet die zorgvuldigheid hebben betracht, die zij in verband met de mogelijke schending van het huisrecht behoorden te betrachten.

Het proces-verbaal maakt geen gewag van enige omstandigheid, waaruit de conclusie getrokken kan worden, dat [verdachte] , danwel de overige bewoners van de legeringskamer, geen bezwaren tegen de aanwezigheid van de opsporingsambtenaren gemaakt zouden hebben.

Het proces-verbaal geeft geen enkele aanleiding tot de kennelijke veronderstelling van het Hof, dat van de stilzwijgende toestemming tot het verblijven in de kamer uit woorden en/of gedragingen van requirant, of één der andere aanwezigen, gebleken is. Integendeel, de ontkennende houding van requirant wijst erop, dat de aanwezigheid van de opsporingsambtenaren niet gewenst werd. Een en ander vloeit onder meer voort uit het feit dat [verdachte] uiteindelijk de bloedproef geweigerd heeft. 

Concluderend stelt requirant, dat het binnentreden door de opsporingsambtenaren in de kamer aangemerkt moet worden als een flagrante inbreuk op diens grondwettelijke huisrecht. Door slechts te overwegen, dat het procesdossier geen gewag maakt van bezwaren tegen de aanwezigheid van de opsporingsambtenaar in de kamer en dat het binnentreden aldus rechtmatig moet worden geacht, heeft het Hof onvoldoende rekening gehouden met de ernst van de inbreuk op het huisrecht, die uit dat optreden van de opsporingsambtenaren naar voren komt. Door het zijdens [verdachte] gevoerde verweer op deze wijze te verwerpen, heeft het Hof zich evenmin op afdoende wijze van haar motiveringsplicht gekweten.

Middel 3

Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof ten onrechte de handelwijze van de opsporingsambtenaren c.q. het onderhavige opsporingsonderzoek niet in strijd heeft geacht met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Toelichting

Gelet op hetgeen in middel 1 en 2 is aangevoerd, is het schenden van het huisrecht van requirant in relatie tot het tot klaarheid brengen van een strafbaar feit ex art. 30 lid 1 sub a WVW alleszins disproportioneel te noemen. Ten onrechte heeft het Hof derhalve te dien aanzien gevoerde verweer verworpen.

Daarnaast heeft het Hof onvoldoende gemotiveerd weerlegd, dat het optreden van de opsporingsambtenaren in strijd met het beginsel van subsidiariteit is. Immers, nu de opsporingsambtenaren over alle benodigde gegevens beschikten, te weten het kenteken van het voertuig dat de aanrijding had veroorzaakt, de identiteit van de eigenaar, zomede diens verblijfplaats, stonden de opsporingsambtenaren andere middelen ten dienste om het gepleegde strafbaar feit tot klaarheid te brengen. Het Hof is volstrekt ongemotiveerd aan dit verweer voorbij gegaan.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad - na verbetering van de bestreden sententie voor wat betreft de aangehaalde wetsartikelen - het beroep zal verwerpen.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

1. dat hij op 8 december 1988 in de gemeente Den Helder als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) tegen wie verdenking was gerezen dat voertuig te hebben bestuurd in strijd met artikel 26 van de Wegenverkeerswet, en aan wie door een opsporingsambtenaar toestemming was gevraagd tot het verrichten van een bloedonderzoek (zoals bedoeld in genoemd artikel), welke toestemming beklaagde niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een tot hem beklaagde, gericht bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan zo'n bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;

2. dat hij op 8 december 1988 in de gemeente Den Helder, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) na een ongeval op de Prins Hendriklaan, ontstaan als gevolg van een botsing met dat voertuig, waarbij schade was toegebracht aan een verkeerszuil, toebehorende aan de Gemeente Den Helder die geen inzittende van het door hem, beklaagde, bestuurde voertuig was, is doorgereden voordat dé identiteit van dat voertuig en van degene, die het tijdens dat ongeval bestuurde, behoorlijk kon worden vastgesteld.

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

5.1. De verklaring van de beklaagde

De verklaring die de beklaagde op de terechtzitting heeft afgelegd - zakelijk weergegeven - :

Op 7 december 1988, heb ik in de bar "Odeklonje" te Den Helder ongeveer twaalf glazen bier gedronken.

Op 8 december 1988 omstreeks 01.00 uur, heb ik in gezelschap van twee collega's de bar verlaten. We zijn naar mijn auto merk Opel Ascona met het kenteken [kenteken] gelopen, die aan de Prins Hendriklaan geparkeerd stond. Ik ben als bestuurder in mijn auto opgetreden. Ik reed vooruit over de Prins Hendriklaan en heb direct een bocht naar links gemaakt om te draaien. Tijdens het maken van deze bocht naar links, raakte ik met de linkervoorzijde van mijn auto een verkeerszuil, die in het midden van de Prins Hendriklaan stond. Ik heb verder niet naar die zuil gekeken. Ik heb mijn auto achteruit gereden en ben naar het Marinevliegkamp De Kooy doorgereden, waar ik mijn auto heb geparkeerd.

Op 8 december 1988 heb ik als bestuurder van een personenauto te Den Helder geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek en geen gevolg gegeven aan een daartoe gericht bevel van een hulpofficier van justitie.

5.2. Het proces-verbaal nummer P.1158/'88 van de Koninklijke marechaussee, brigade Den Helder, gesloten op 30 december 1988.

Dit proces-verbaal, dat op ambtseed is opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] (allen marechaussee der 1e klasse opsporingsambtenaar), [verbalisant 4] (adjudant-onderofficier der Koninklijke marechaussee) en [verbalisant 5] (opperwachtmeester der Koninklijke marechaussee), houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in:

Als relaas van bevindingen en verrichtingen van één of meerdere verbalisanten:

Op 8 december 1981, omstreeks 01.15 uur werd een verkeersongeval gemeld op de Prins Hendriklam te Den Helder, waarvan de veroorzaker doorgereden was. Deze veroorzaker had met zijn motorrijtuig, merk Opel, type Ascona, voorzien van het kenteken [kenteken] , een verkeerszuil, staande in het midden van het wegdek van de Prins Hendriklaan te Den Helder omver gereden.

Op een parkeerplaats op het marine vliegkamp De Kooy zagen wij een motorrijtuig (personenauto), merk Opel, type Ascona, voorzien van het kenteken [kenteken] geparkeerd staan. Wij zagen dat op het rubber van de voorbumper, aan de linkerzijde, diepe krassporen zichtbaar waren en dat zich hierop gele verfdeeltjes bevonden. Inmiddels hadden wij van de alarmcentrale vernomen dat voornoemd kenteken afgegeven was aan: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1963. In een kamer in een legeringsgebouw van voornoemd vliegkamp te 02.10 uur troffen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , [verdachte] , die erkende eigenaar te zijn van genoemde Opel Ascona. Wij roken dat zijn adem sterk riekte naar het inwendige gebruik van alcoholhoudende drank. Daarop hebben wij [verdachte] aangehouden terzake van het vermoedelijk handelen in strijd met artikel 30 lid 1 onder a en artikel 26 van de Wegenverkeerswet, en hebben wij hem terstond, overgebracht naar de brigade der Koninklijke Marechaussee te Den Helder.

Ik, [verbalisant 1] , heb te 02.50 uur, de verdachte gevraagd of hij toestemming gaf tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 26, 2e lid onder b van de wegenverkeerswet (bloedproef). Hij verleende daartoe zijn toestemming. Te 03.10 uur, verscheen een arts om van verdachte middels een vena-punctie, bloed af te nemen. Ik hoorde verdachte toen tegen mij zeggen: "Ik wil geen naalden in mijn lijf". Op mijn vraag aan hem of hij nu geen medewerking aan de bloedproef wilde verlenen, zei hij dat hij dit niet wilde.

Op 8 december 1988 te 03.15 uur, heb ik, [verbalisant 4] , in mijn hoedanigheid van Hulpofficier van Justitie de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 26, 2e lid onder b van de Wegenverkeerswet, waarbij hem is medegedeeld dat een weigering het plegen van een misdrijf betekent. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel en weigerde zich te onderwerpen aan dit onderzoek hetgeen mij bleek uit de door hem gebezigde woorden: "Ik wil geen naalden in mijn lijf".

Omstreeks 04.10 uur, hebben wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ons begeven naar de Prins Hendriklaan te Den Helder. Aldaar zagen wij dat één verkeerszuil op deze vluchtheuvel schuin stond. Van personeel van de gemeentepolitie Den Helder hoorden wij dat de verkeerszuil die scheef stond, door hen van het wegdek was opgeraapt en op vorenomschreven wijze was geplaatst. Wij zagen dat de bestrating rond deze verkeerszuil omhoog gekomen was en dat de verkeerszuil zélf enige lakschade bekomen had.

Wij hebben van het rubber van de voorbumper, aan de linkerzijde, van het motorrijtuig, gekentekend [kenteken] , gele verfdeeltjes afgenomen evenals van de gele verkeerszuil. De kleur van de gele verfdeeltjes komt overeen met de kleur van de verkeerszuil.

Door de [betrokkene 1] , werkzaam bij het gasbedrijf en openbare verlichting van de gemeente Den Helder, werd bericht dat de schade aan de verkeerszuil en bestrating ongeveer Fl. 100.— bedraagt.

5. Beoordeling van het eerste middel

5.1. Blijkens de notulen van de terechtzitting van het Hof heeft de raadsman van de beklaagde aldaar onder meer het volgende verweer gevoerd:

Is de legeringskamer in het legeringsgebouw, waarin zich de drie mariniers bevinden aan te merken als een woning in de zin van art. 120 WvSv?

Als woning kan worden aangemerkt de plaats waar iemand zijn privé-leven leidt, waarin hij zich van de buitenwereld kan afsluiten, waar een slaapgelegenheid aanwezig is, etc. (vgl. Vellinga-Schootstra, "Inbeslagneming en huiszoeking" diss. Groningen 1982, blz.114 e.v., alsmede Melai "Wetboek van strafvordering" aant. 5 op artt. 120-123 WvSv) . Eveneens moet er sprake zijn van een enigszins duurzaam karakter. Zo wordt een hotelkamer ook als een woning beschouwd, indien de bewoning daarvan niet een incidenteel karakter heeft (bijv. slechts één nacht) .

In casu wordt de legeringskamer door de drie mannen bewoond.

Hoewel [verdachte] zelf slechts een kortere periode op de Kooij gelegerd is, zijn de andere twee mariniers voor een langere tijd geplaatst op de Kooij , en gedurende hun verblijf daar gebruiken zij de legeringskamer. Naar mijn mening zijn dus de drie mariniers ieder als bewoner van de legeringskamer aan te merken, en als zodanig is ten aanzien van de legeringskamer het in art. 12 van de Grondwet geformuleerde huis(vrede)recht onverkort op ieder afzonderlijk van toepassing.

5.2. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

Voorts deelt het hof niet de zienswijze van de raadsman, dat onderhavig slaapvertrek in het legeringsgebouw een woning is in de zin van de artikelen 120-123 van het Wetboek van Strafrecht. Op de bedoelde kamer zijn militairen, die de nacht niet thuis in hun woning kunnen doorbrengen, gelegerd in die zin, dat zij daar onder verantwoordelijkheid van het militair gezag hun kleding en uitrusting (kunnen) opbergen en de nacht (kunnen) doorbrengen. Op grond van het gestelde in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht mochten de opsporingsambtenaren deze ruimte betreden.

(De Hoge Raad leest telkens voor "Wetboek van Strafrecht": "Wetboek van Strafvordering".)

5.3. Op voormelde gronden heeft het Hof zonder miskenning van het recht kunnen oordelen dat het onderhavige vertrek geen woning is in de zin van de artikelen 120 e.v. van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer is verworpen op gronden welke deze verwerping kunnen dragen.

5.4. Het middel faalt mitsdien.

6. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het zich richt tegen een door het Hof ten overvloede gegeven overweging.

7. Beoordeling van het derde middel

7.1. Blijkens de notulen van de terechtzitting van het Hof heeft de raadsman van de beklaagde aldaar onder meer het volgende verweer gevoerd:

Immers, het optreden van de verbalisanten is disproportioneel, aangezien zij het tot klaarheid brengen van een verkeersovertreding een zwaarder gewicht hebben toegekend dan het te respecteren grondrecht van art.12 Gw. Aangezien zulks absoluut niet noodzakelijk was, hetgeen hieronder bij bespreking van het beginsel van subsidiariteit zal blijken, staat de schending van het grondrecht in geen verhouding tot het belang dat zij middels het tot klaarheid brengen van de vermoedelijke verkeersovertreding trachtten te dienen.

Er was wel degelijk een andere modus operandi ten aanzien van het oplossen van het strafbaar feit ex art. 30, lidl onder a WvW. Zo waren zij in het bezit van het kenteken van de auto waarmee de aanrijding had plaatsgevonden. O.g.v. het al eerder aangevoerde art. 40 WvW zouden zij met betrekkelijk veel eenvoud de volgende morgen de zaak tot klaarheid hebben kunnen brengen. Derhalve stond hen m.i. een veel minder ingrijpende werkwijze ter beschikking, dan degene die zij gebezigd hebben, en mede gelet op de schending van het grondrecht kan m.i. derhalve gesproken worden van handelen in strijd met het beginsel van subsidiariteit.

7.2. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

Tenslotte kan het hof de raadsman ook niet volgen in zijn stelling dat onderhavig opsporingsonderzoek oplevert een schending van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het onder de gegeven omstandigheden tot klaarheid brengen van verkeersmisdrijven, zonder schending van enig grondrecht, acht het hof proportioneel, met name omdat tegen beklaagde ook verdenking was ontstaan terzake van overtreding van artikel 26 van de Wegenverkeerswet en niet kan worden gezegd dat de door de opsporingsambtenaren gevolgde werkwijze onnodig ingrijpend was. Voor het onderbreken van het opsporingsonderzoek tot de volgende morgen was geen enkele reden, integendeel.

7.3. Blijkens de toelichting op het middel wordt daarin het optreden van de verbalisanten disproportioneel geacht omdat dezen daarmede het huisrecht van de verdachte hebben geschonden. Dit standpunt van het middel moet het lot van het eerste middel delen.

7.4. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof ongemotiveerd aan het verweer dat het optreden van de verbalisanten in strijd is met het beginsel van subsidiariteit is voorbijgegaan, mist het feitelijke grondslag. Het oordeel van het Hof dat niet kan worden gezegd dat de door de opsporingsambtenaren gevolgde werkwijze onnodig ingrijpend was en dat voor het onderbreken van het opsporingsonderzoek tot de volgende morgen geen enkele reden was, is niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Tot nadere motivering van de verwerping van dit verweer was het Hof niet gehouden.

7.5. Het middel faalt mitsdien.

8. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

8.1. Het Hof heeft verzuimd onder de wettelijke voorschriften waarop de opgelegde straffen zijn gegrond te vermelden de artikelen 35 en 39 Wegenverkeerswet.

8.2. De Hoge Raad zal toepassing geven aan art. 442 Sv.

9. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere grond dan de onder 8 vermelde aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.

10. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak voor zover daarin, onder de wettelijke voorschriften waarop de straf is gegrond, niet zijn vermeld de artikel 35 en 39 Wegenverkeerswet;

Verstaat dat evenvermelde voorschriften behoren tot de wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging is gegrond;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Bronkhorst als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Mout, Govaerts en Neleman, in bijzijn van de griffier Sillevis Smitt-Mülder, en uitgesproken op 26 februari 1991.